Naar de kaart

vier bijzondere scholen

3e klas Palacheschool met juf Hammelburg, tegen de zomer van 1942

Nieuwe inleiding intro

Nieuwe inleiding content

Tezamen hadden deze vier bijzondere scholen in het schooljaar 40/41 dus ruim duizend leerlingen en dat was een kleine 20% van de ruim 5.200 joodse leerlingen in het Amsterdamse lagere onderwijs.
Vanaf september 1941, toen de scheiding in het onderwijs door de bezetter opgelegd werd, steeg dat aantal snel naar ruim 25% van het totaal aan ‘vol-joodse’ lagere school kinderen. Een opmerkelijke toename die lijkt me, beïnvloed werd door de anti-joodse maatregelen van de bezetter. Opvallend daarbij is dat de toename van leerlingen vooral plaatsgreep bij de Talmud Tora in de Transvaalbuurt (+70) en bij de Elteschool in de Pijp (+60)

Najaar 1941 ontbond de bezetter alle joodse stichtingen en verenigingen en confisqueerde hun vermogens. Schoolvereniging Kennis en Godsvrucht en onderwijsstichting Talmud Tora werden toen nog ontzien.  Want deze scholen zouden net als de openbare joodse scholen worden overgedragen aan de , maar dat liet op zich wachten tot november 1942.
Toen kregen de hoofden van deze bijzondere scholen bericht dat ze onder het bestuur voor het Joodse Onderwijs in Nederland vielen en dat gelet op de bijzondere positie die het Joods  innam, het dagelijks beheer was opgedragen aan het schoolbestuur voor het Joods Bijzonder Onderwijs.
Dat bestuur zonder enig juridisch kader, werd gevormd door vertegenwoordigers van de voormalige joodse schoolbesturen en de joodse kerkgenootschappen. De joods-religieuze signatuur van deze bijzondere scholen werd zodoende weliswaar beschermd, maar het was het Onderwijsbureau van de Joodsche Raad dat feitelijk deze scholen beheerde.

Zolang de zelfstandige schoolbesturen door de bezetter werden gehandhaafd, dus tot najaar 1942, behielden de vier joodse bijzondere scholen de financiering zoals die voor 1940 gebruikelijk was. Het rijk betaalde 70% en de gemeente 30% van de schoolbegroting. Vanaf de officiële overdracht per november 1942 aan de Joodsche Raad, verviel deze subsidiëring en maakte plaats voor een bedrag van 80 gulden per joodse leerling per jaar, dat door het departement in opdracht van de bezetter aan de Joodsche Raad werd verstrekt. Uitsluitend de in het bevolkingsregister geregistreerde vol-joodse leerlingen telden mee.
Het bedrag was veel lager dan de subsidie van rijk en gemeente , dus moest het onderwijsbureau van de Joodsche Raad ook op het bijzonder onderwijs bezuinigen.
Om te beginnen werden de ouders van niet vol-joodse leerlingen (de Joodsche Raad sprak van kinderen zonder ster) aangezegd dat hun kinderen niet langer op de school van hun keuze kon blijven. Vervolgens werden per 8 december 1942 de klassen van deze vier scholen opnieuw ingedeeld. De onderwijsteams konden vervolgens worden verkleind van 29 naar 24 leerkrachten. Al met al leverde deze ingrepen een aanzienlijke besparing op.

In de maanden die volgden kregen ook deze scholen het zwaar te verduren, bij de opeenvolgende  eind mei en in juni, verdween het merendeel van de schoolbevolking, leerlingen en leerkrachten. Toch bleef een van de vier scholen overeind, zelfs na de zomer van 1943 waren er kinderen en onderwijzers aanwezig in de Talmud Tora in de Kraaipanstraat.
In een van de laatste verslagen (23 augustus 1943) van het Joodse Onderwijsbureau staat ‘en daarnaast is er de school in de Kraaipan met 94 ll (1e 12; 2e 16; 3e 16; 4e 17; 5e 21 en 6e 12) met Elisabeth Engelander-Polak[1913-1943] – ze was kwekeling op de Palache]; Julia Bolle-Polak [1914-1945] – zij was tijdelijk ingezet op de BLO-school]; en als hoofd Salomon Vuisje [1905-1944] – hij stond al op die TTA].
Maar uiteindelijk viel ook voor deze school al snel het doek. De allerlaatste leerlingen vonden onderdak op De laatste school’ in de Jouberstraat.