Naar de kaart

het Trenshuis

Achter deze poort aan de Keizersstraat zat de kleuterschool van de Vereeniging Ouhel Hajjelodiem. Bij de sanering van de Lastage in de jaren ’60, moest ook deze poort er aan geloven.

In de Keizersstraat op nummer 23 zat achter de poort het ‘Trenshuis Ouhel Hajjelodiem’, de Joodse school voor voorbereidend (kleuter-) onderwijs. 

De Vereeniging voor Israëlische Voorbereidende scholen en Kinderbewaarplaatsen beheerde twee schooltjes met Mathilde Perel [1915-1944] als hoofd van de kleuterschool in de Keizersstraat en Deborah Drukasch [xx] als leidster van de peuters in een afzonderlijke vestiging aan de overkant van de Nieuwmarkt in de Monnikenstraat, hoek  Oudezijds Achterburgwal.

De twee schooltjes bestonden al vanaf begin jaren ‘30, toen in de Duitse bezetter van Nederland, in augustus 1941 uitvaardigde dat joodse kinderen niet langer met andere kinderen school mochten gaan. Dat trof natuurlijk óók de kleuterscholen en bewaarscholen in Amsterdam, maar vanzelfsprekend niet de scholen waar toentertijd alleen joodse kinderen op zaten, zoals onder andere, deze twee schooltjes in de Amsterdamse binnenstad.

Eind jaren dertig waren er naast deze twee joodse scholen voor voorbereidend onderwijs, nog een twee keer twee andere :
de kleuterschool van de Nederlands-Israëlische Schoolvereniging ‘Kennis en Godsvrucht’ was vanwege het leerlingental ook gevestigd in twee panden, in een grachtenhuis aan de Nieuwe Keizersgracht 54; Sipora de Jong-van Gelderen [1897-1943] was daar het hoofd, terwijl de kleintjes apart zaten in een verbouwd dubbel woonhuis op het binnenterrein achter Plantage Muidergracht nr 5 met Elisabeth Friedman [xx] als leidster.

En dan was er nog de Duizendkinderenschool in de Rapenburgerstraat van de  Nederlands Israëlische Vereeniging voor Minvermogenden, die zaten daar in twee grote gebouwen, die speciaal voor deze ‘eerste joodsche kleuterschool’ waren gebouwd.

Oorspronkelijk was het Trenshuis opgericht door de joodse buurtvereniging (voor de Nieuwmarktbuurt) ‘Bachoerei Mewakshy Jausher’. Die streed eind jaren ’20 tegen de ‘christelijke zending’ onder de arme joodse Nieuwmarkters. Ze hadden een pand in de Barndesteeg op nr 4, waar ze cursusachtige activiteiten verzorgden en ook onderdak boden aan een bewaarschooltje.
Dat groeide al snel uit tot een serieuze kleuterschool, waarvoor met behulp van een grote gift een schoolgebouw aan de andere kant van de Nieuwmarkt kon worden aangeschaft. Dat gebouw in de Keizersstraat was oorspronkelijk gebouwd als school voor een christelijke vereniging, die dus zending bedreef.
Begin jaren ’30 was dat echter afgelopen, mede door de ‘bestrijding van Zendingspraktijken’ door die vereniging Bachoerei.

verbouwingsplan van de christelijke school in de Keizersstraat – linksonder in de plattegrond is zichtbaar hoe het gebouw tussen de overige bebouwing zat ingepropt, met een lange gang naar de schuingeplaatste poort aan de straatzijde

Architect Baars (ja, die van oa de sjoel in Oost) maakte het verbouwingsplan en zo kon de nieuw opgerichte Vereeniging Ouhel Hajjelodiem (tent voor de kinderen) van de Vereeniging voor Israëlische Voorbereidende scholen en Kinderbewaarplaatsen, in 1932 daar een kleuterschool beginnen, met een peuterafdeling aan de andere kant van de Nieuwmarkt.

het huis aan de Achterburgwal, hoek Monnikenstraat diende in de jaren ’30 als schooltje voor joodse peuters tot de leeftijd van vier jaar

In die tijd (en nog geruime tijd na 1945) begon de leerplicht voor de lagere school in het jaar dat je zeven werd, terwijl je vanaf je vierde al naar de kleuterschool mocht en er voor de kleintjes, vanaf drie jaar de bewaarschool bestond.

Al het onderwijs onder de zeven jaar (en boven het 15e jaar) was wettelijk gezien niet bekostigd. De gemeente Amsterdam, subsidieerde wel zo’n 50 openbare kleuterscholen, maar niet die van een geloofsrichting, zoals die met een Nederlands-Israëlische signatuur. Daar werd dus schoolgeld geheven, van 10 tot 30 cent per week; maar de Kennis & Godsvrucht scholen vroegen zelfs 2,50 gulden per maand. Die waren zodoende niet bereikbaar voor de joodse arbeiderskinderen.

Terwijl het gewone, openbare onderwijs zwaar getroffen werd door die maatregel waarbij de joodse leerlingen uit hun klassen werden verstoten, had de joodse scholen daar natuurlijk geen last van, sterker nog er was sprake van een opvallende stijging van het leerlingental, door overstappers uit de openbare scholen. Dat gold voor de vier joodse lagere scholen, maar evenzogoed voor de joodse kleuter- en bewaarscholen.

Sinds najaar 1942 waren alle joodse scholen, de openbare die door de gemeente waren opgericht én die, die onder een joods schoolbestuur stonden, overgedragen aan de Joodsche Raad, die daarvoor een Joodsch Schoolbestuur met een eigen onderwijsbureau stichtte.

Volgens de door mij bijeengesprokkelde gegevens moeten er per september 1941 zo’n 6 á 700 kleuters op die zes scholen hebben gezeten. Voorjaar 1943 toen de grote razzia’s plaatsgrepen daalde dat aantal razend snel. De ene na de andere kleuterschool werd daarop gesloten, de meeste kleuterleidsters waren weg en ook de kinderen waren verdwenen; deels omdat ze thuisgehouden werden. De afstanden van huis naar de kleuterschool was gewoon te groot voor de kleintjes, – lopen was niet te doen en fietsen, trammen, laat staan ‘per automobiel’ was voor joden verboden. Bovendien was het voor de ouders gewoon te onveilig om de straat op te gaan.
Zo ontstonden in de loop van het voorjaar 1943 op allerlei plaatsen in de stad kleine particuliere kleuterscholen – onder andere bij een bezorgde ouder thuis. Er kwamen schooltjes in Noord (in Asterdorp), in de Watergraafsmeer (bij een moeder thuis in de Johan Kepplerstraat) in Zuid (in de Krammerstraat en bij de Lekstraat-sjoel) en in de Transvaalbuurt (Retiefstraat).
Het schoolbestuur wilde ook die schooltjes onder haar hoede nemen, maar zag daar toch van af; er was geen geld voor en bovendien was het te laat.
Halverwege augustus 1943 was de situatie van het voorbereidend onderwijs dus heel divers en versnipperd – er waren nog maar twee ‘officiële’ kleuterscholen, die van Kennis en Godsvrucht met Sipora de Jong-van Gelderen op de Nieuw Keizersgracht 54, waar dagelijks zo’n 13 kleuters kwamen. En in de Transvaalbuurt, waar Beatrijs de Jong een soortgelijk groepje had, daar kwam bovendien een (openbaar) Montessori-kleuterklasje bij, onder leiding van Betsie Vaz Dias [1907-1944].
Die twee klasjes groeiden samen uit tot een serieus schooltje met 42 kleuters in het schoolgebouw aan de Joubertstraat, in de Transvaalbuurt waar de (laatste) joodse Amsterdammers waren samengebracht. Eind september 1943 was het echter over en uit, de buurt werd leeggehaald en het schooltje gesloten.

Joubertstraat in de Transvaalbuurt - de laatste Joodsche school (met op de voorgrond de speeltuin die toen alleen beschikbaar was voor Joodse kinderen)