Naar de kaart

HBS en Lyceum

Het volleybal team van het Joods Lyceum tijdens de zomer van 1942

Vanaf 1938 zat in de Stadstimmertuin, op nummer 2 de confessionele Joodse Hogere Burger School [HBS]. Vanaf de dag dat de gemeente, in opdracht van de bezetter in september 1941, apart scholen stichtte voor joodse kinderen, werd deze HBS onderdeel van het scholen-netwerk waar de Amsterdamse joodse gemeenschap toe veroordeeld was.

De school telde toen zo’n 140 leerlingen, voornamelijk vanuit de omliggende joodse wijken, met een gemêleerde bevolking van enerzijds welvarende- en anderzijds arme joodse gezinnen.

Na een ongedeelde eerste drie klassen, waren er twee leerroutes ; HBS A met een literair-economisch profiel, met naast de vier talen, vooral vakken als bedrijfshuishoudkunde, handelswetenschappen en  staatshuishoudkunde en de HBS B route met naast de vier talen, wiskunde, mechanica, natuur en scheidkunde, biologie, vooral gericht op doorstuderen aan een universiteit.

De school had in 1941/42 zeventien docenten, waarvan twee voor lichamelijke opvoeding en twee voor het godsdienstonderwijs en daarmee onderscheidde de school zich van het openbare onderwijs, met wekelijkse drie lessen in Bijbelstudie, Hebreeuws en joodse geschiedenis.

Toch was het zo dat het merendeel van de joodse ouders voor een openbare (lees niet-religieuze) kozen voor hun kinderen school, ook voor ná het lager onderwijs. De invoering van de isolatie-maatregelen, maakte die keuzevrijheid echter met een pennenstreek onmogelijk. De gemeente richtte daarom ook een joodse openbare HBS-A op en ook een joods Lyceum met een HBS-B afdeling.

Eigenlijk was dat een beetje teveel voor de nog geen 800 joodse leerlingen, die de gemeente had geteld in het openbare middelbaar en hoger voortgezet onderwijs.

Opvallend is daarbij dat in dat eerste ‘joodse schooljaar’ er sprake was van een sterke toename van het aantal leerlingen op de confessionele HBS; waren het er in de jaren voor 1941, elk jaar zo’n 140, nu sprong het al snel naar ruim 240. Een vergelijkbaar verschijnsel deed zich voor bij de confessionele lagere scholen, met name bij de Herman Elteschool in de Pijp en de Talmud Tora in Transvaalbuurt.

Anders dan de nieuwe joodse scholen, die de gemeente in september 1941 opende, was de Joodse HBS vanzelfsprekend alleen toegankelijk voor joodse leerlingen, men hoefde niet gelovig te zijn, maar wel joods. Dat lag anders bij het docentenkorps, er waren best wel een paar gojims.

Onder de leerkrachten, maar vanaf september 1941, mochten die geen les meer geven aan joodse leerlingen, had de bezetter bepaald.

Zo werden mevrouw Susanne Bouman-Franchimont, die Frans gaf en de Hubert van Eck, leraar Aardrijkskunde vervangen door de heren Louis Kukenheim en Martijn van der Heyden. Het team dat eerst bestond uit zo’n 12 docenten, met nog steeds den Hartog Jacobs als directeur, groeide en veranderde om de leerlingen toename op te vangen, maar ook doordat soms een docent plotseling niet meer kwam opdagen

Het eerste schooljaar veranderde er verder nog niet zoveel, behalve dan dat de leerlingen niet meer mochten buitengymen op de sportvelden op het Weteringplantsoen, want zelfs speeltuinen en sportvelden waren voor joden verboden; ze konden wél terecht op het Waterlooplein in de ‘jodenbuurt’, dat was geen sportterrein en uitsluitend toegankelijk voor joden.

Onder het joods schoolbestuur

Anders wordt het in het tweede schooljaar, de joodse verenigingen waren opgeheven en dus ook ‘de Centrale Organisatie voor de Religieuse en Moreele Verheffing der Joden In Nederlanddie de Joodse HBS beheerde. En net als bij de (niet gemeentelijke) nijverheidsscholen, ontstond er een probleem met het rijkssubsidie. De salaris betalingen over juni 1942 kwamen meteen al in de knel, waarop directeur Jacobs zich tot het Onderwijsdepartement wendde. Hij wil graag daar in den Haag op bezoek komen als hij een reisvergunning kreeg. Zijn streven is de school onafhankelijk te houden, als Rijks’ erkend instituut en hij weigert de bemoeienis van de ComFina, die zorg droeg voor de financiering van de Joodsche Raad.  Maar in het najaar haalde Jacobs toch bakzeil, de school komt net als al het al andere joodse onderwijs onder het beheer van het nieuwe joodse schoolbestuur dat de Joodsche Raad in overleg met de bezetter toen had gesticht.

Openbare Joodse HBS
Joodse HBS 1942 aan de Mauritskade
De hele school in 1928 bij het Centraal Station
Joodse HBS Timmertuin 1940 in Artis

Openbare Joodse HBS

Naast de confessionele Joodse HBS was er in de bezettingsperiode, vanaf september 1941 een openbare HBS die uitsluitend toegankelijk was voor joodse leerlingen. Het was een HBS-A die opleidde tot handels- en kantoorfuncties. Met Ezechiël Frenkel [1889-1944] als directeur. De school werd gevestigd in het schoolgebouw waar voor die tijd de Aletta Jacobs muloschool zat, aan de Mauritskade op nr 24, vlak naast de Amstelbierbrouwerij.

Dat er een openbare joodse HBS nodig was, toen de bezetter had bepaald dat joodse leerlingen gescheiden moesten worden van de andere Amsterdamse scholieren, werd snel duidelijk bij de telling van joodse leerlingen in juli 1941. Verspreid over de verschillende openbare HBS-en en Lycea, waren er ruim 750 leerlingen geteld, en dat aangevuld met de joodse kinderen vanuit de zesde klas van de openbare scholen maakte het gewenst om naast de nieuwe joodse lager scholen, ook te voorzien in joods voorbereidend hoger en middelbaar onderwijs [vhmo].

De gemeentelijke Afdeling Onderwijs stichtte daarom een vijfjarige joodse hogere burgerschool en een joods lyceum.

Tabel volgt

Bij aanvang halverwege september 1941 telde de nieuwe joodse hbs zo’n 340 leerlingen in vijf schooljaren.

Directeur Frenkel was afkomstig van de 2e Openbare  Handelsschool, waar hij in maart 1941 ontslagen was, wegens zijn joodszijn; zijn adjunct was Maurits Belinfante [1896-1944], voorheen wiskundeleraar op het gemeentelijk lyceum voor meisjes. In dat eerste schooljaar werd Ezechiël Frenkel [1889-1944] ernstig ziek en nam Belinfante de leiding over.

De school had gerelateerd aan het leerlingental, een vrij klein onderwijsteam van 17 docenten, uiteraard alleen van joodse komaf. Alhoewel het eerste schooljaar vrij rustig en normaal verliep, verdwenen tegen de zomer van 1942 al de eerste docenten, waarop de vacatures werden vervuld door leentjebuur te spelen met de twee andere joodse middelbare scholen, de confessionele  hbs en het joods lyceum.

Weespertraat, straatje links Lepelstraat

Openbaar Joodsch Lyceum

Het Joodsch Lyceum was de derde school voor Voortgezet Hoger en Middelbaar Onderwijs, die uitsluitend beschikbaar was voor joodse leerlingen, vanaf het moment dat de bezetter in augustus 1941 dat had bepaald.

De Afdeling Onderwijs van de Gemeente vestigde de school in het gebouw waar voorheen de Amstel Mulo zat, in de Voormalige Stadstimmertuin op nr 1, pal tegenover de confessionele Joodse HBS.

Het lyceum was  meteen een grote school met bij aanvang ruim 340 leerlingen verdeeld over 16 klassen en een team van ruim 25 docenten, onder leiding van Willem Salomon Elte [1888-1984] die daarvoor wiskunde leraar was op het gemeentelijk lyceum in Zaandam.

Opvallend is dat terwijl de leerkrachten op de lagere scholen dat niet hoefden, alle docenten in het joodse voortgezet onderwijs de loyaliteitsverklaring hebben ondertekend:

‘Ik verklaar hierbij plechtig, dat ik, zoolang ik mijn ambt bekleed, de verordeningen en ander bepalingen van den Rijkscommissaris voor het bezette Nederlandsche gebied en van de hem ondergeschikte Duitsche organen naar eer en geweten zal nakomen en mij zal onthouden van elke handeling, gericht tegen het Duitsche Rijk of de Duitsche Weermacht.

Het Joods Lyceum bestond uit twee afdelingen, een  gymnasium en een HBS B, maar met een gemengde onderbouw; de Gymnasiumafdeling met zes gecombineerde A- en B-leerjaren was de grootste van de twee.

Het gebouw in de Stadstimmertuin was voor al die klassen niet groot genoeg, zodat er meteen in oktober 1941 een dependance kwam in de Lepelstraat, een straatje verder via de Weesperstraat.

Weesperstraat vanaf de brug over de Achtergracht met rechts de hoek van de Lepelstraat, waar de dependance van het Joodsch Lyceum stond.

Dat gebouw werd ingericht met voornamelijk practicumlokalen voor biologie, scheikunde en natuurkunde, maar herbergde ook het tweede gymnastiek lokaal, hoogst noodzakelijk sinds de joodse leerlingen niet meer mochten buitengymen op het sportterrein op het Weteringplantsoen.

onder het joods schoolbestuur

 

In najaar 1942 nam werd de gemeente gedwongen de gemeentelijke joodse scholen over te doen aan de Joodsche Raad, die daarvoor een eigen bestuur vormde, het Bestuur voor het Joods Onderwijs in Nederland, onder het voorzitterschap van Daniël Cohen, die ook de Joodsche Raad leidde.

Bijna meteen ging dat nieuwe bestuur over tot reorganisaties van het joodse onderwijs, om de kosten te verlagen. Vanzelfsprekend kwamen de Amsterdamse HBS-en voor de joodse leerlingen in beeld.  De overlap was dat er twee HBS-en A (Mauritskade en Joodsche Hbs) waren en ook twee HBS-B (Lyceum en Joodse HBS).

De A-afdeling  had de examenvakken de 4 talen plus bedrijfshuishoudkunde, handel en handelsrekenen, recht en staatsinrichting en staatshuishoudkunde

Terwijl de B-afdeling ook de 4 talen deed, maar dan plus wiskunde, mechanica, natuur en scheidkunde, biologie, aardrijkskunde, geschiedenis en staatshuishoudkunde

Het leerlingenaantal van de drie joodse voortgezet onderwijs-scholen tezamen, was sinds de aanvang in september 1941, al sterk teruggelopen van zon kleine duizend naar nog geen zeshonderd in het najaar van 1942.  Het subsidie dat de bezetter verstrekte was slechts 80 gulden per leerling, en alleen de leerplichtige leerlingen (dus tot het 15ejaar) telden mee, dus doken er problemen op.

Daarnaast werd het aldoor moelijker de drie scholen onafhankelijk van elkaar te bemensen; sinds zomer 1942 verdwenen er met regelmaat docenten, meestal in onderduik. De directies konden niet anders dan docenten te lenen van de joodse collega-scholen, het was een voortdurend pendelen tussen de twee gebouwen in de Stadstimmertuin en de iets verder gelegen Mauritskade.

De eerste besparing werd dan ok gevonden door het schoolgebouw aan de Mauritskade aan de gemeente terug te geven en de slinkende groep HBS-leerlingen vandaar onder te brengen bij het Joods Lyceum; geen gek plan, het lyceum had zodoende in een klap ook een HBS-A afdeling onder haar dak.

Rector Elte van het lyceum en collega Belinfante van de HBS, die toch al niet goed met elkaar overweg konden, werden nu door het schoolbestuur tot samenwerken verplicht en dat leidt tot stevige vergaderingen waar de Inspecteur voor het joods algemeen vormend onderwijs Bartels, het voorzitterschap bekleedt. Het plan dat uit de koker van de secretaris  van het Joodse Onderwijs bestuur komt, gaat echter verder dan alleen maar inhuizing, het gaat ook om integratie.

Zeker in de ongedeelde onderbouw kunnen vakken in elkaar worden geschoven en daardoor docentenuren worden uitgeruild, het levert al snel 100 uren op.

Maar Elte stelt terecht dat dat nauwelijks geld oplevert, de meeste docenten staan immer op wachtgeld vanwege hun  ‘gewone’ docentenbaan voor november 1940, en dat wordt gewoon door het Rijk betaald.

Elte pruttelt verder dat de Raad geen moeilijkheden heeft gemaakt voor het ‘Montessori-clubje’ [zie pagina over het Joods Montessorilyceum]. Niemand heeft daar bevoegdheid, zegt hij en het ‘overvloedige schoolgeld komt niet de Joodsche Raad ten goede en nu er bezuinigt moet worden, wendt men zich tot de arme scholen. Dit is werkelijk een schandaal. (aldus Elte)

Bij aanvang van het tweede schooljaar [1942/43] telde  de Joodsche HBS zo’n 180 leerlingen; de HBS op de Mauristkade 115 en het Joodsch Lyceum  ruim 200 leerlingen [117 in de tweejarige onderbouw; 58 op het Gymnasium en 36 op de HBS-B]. Het wordt verstandig en handig geacht om in ieder geval de twee  B’s samen te voegen; dat levert dan één B-bovenbouw op van een kleine honderd leerlingen; en juist om dat die niet meer leerplichtig zijn en er geen subsidie voor binnenkomt is dat een aanzienlijke besparing.

Ook de twee A’s van de twee HBS-en worden samengevoegd, alles onder de nieuwe naam

INRICHTING VOORTGEZET ONDERWIJS , met 3 afdelingen

 Ad1 [HBS A van de Mauritskade en HBS A van de joodsche HBS] Ad2 [HBS B JHBS] en Ad 3 [gymnasium van het Joodsch Lyceum].

Het heeft allemaal tot slot maar een paar maanden mogen duren, tot eind mei 1943. Er zijn dan bijna geen leerlingen meer over, het is niet meer veilig op straat. Vooral de ouderejaars die niet meer leerplichtig waren kiezen er voor thuis of in kleine groepjes, zich voor te bereiden op de aanstaande examens, die ondanks alles doorgang zullen vinden.

Maar dan komt de tweede slag, met de razzia’s in de Rivierenbuurt, waar veel leerlingen en docenten wonen. Er is geen docent meer beschikbaar en het handjevol leerlingen vooral in de lagere klassen wordt net als de laatste lagere schoolleerlingen, ondergebracht in het enige schoolgebouw dat het schoolbestuur open houdt, aan de Joubertstraat. Maar ook daar is het tegen het einde van september 1943 over en uit; de commandant van Amsterdam kan zijn superieuren in Berlijn laat weten dat de stad judenrein is.

Ik verwijs graag naar de publicatie over het Joodsch Lyceum van Dienke Hondius, ‘Absent’ (Vassallucci 2001)

Klas 2L van het Joods Lyceum in het voorjaar 1942