Naar de kaart

ComFinA

Commissie Financiële Aangelegenheden

In het eerste schooljaar betaalden de gemeente en het rijk, zoals dat bij wet geregeld was, ook voor de nieuwe joodse scholen. Direct bij het uitvaardigen van de isolatie van joodse leerlingen wilde de  van die kosten af. Volgens hem kon de joodse gemeenschap hun eigen onderwijs prima zelf betalen, met gebruik van de verplicht bij de  gestalde joodse vermogens.  In de praktijk lag dat echter toch niet zo eenvoudig, zodat de geplande overdracht ernstig werd vertraagd.

Het kwam er op neer dat de bestaande wetgeving, verankerd in artikel 200 (vanaf 1983 is dat artikel 23) van de Grondwet, het óók voor de bezetter onmogelijk maakte de joodse leerplichtige jeugd van zorg door de Staat uit te sluiten.
Pas na maanden overleg van het Opvoedingsdepartement met de bezetter en het Departement van Financiën, ging de Reichskommissar overstag.
Toen nam de Joodsche Raad het onderwijs aan joodse kinderen onder haar hoede en kwam er een compromis. Het Rijk betaalde ook in het tweede jaar voor het onderwijs aan joodse kinderen; maar dat gold alléén voor leerlingen in de leerplicht-leeftijd, die eindigde toen in het jaar dat je 15 werd.
Dat betekende dat er in het vervolgonderwijs, zoals HBS-en en het lyceum een bekostigingsprobleem ontstond voor de hogerejaars, en dat trof uiteraard ook het beroepsonderwijs zoals de Joodse Kunstnijverheidsschool.
Daarvoor moest binnen de joodse gemeenschap een oplossing worden gezocht en werd er een beroep op de ComFinA, de commissie financiële aangelegenheden van de Joodsche Raad.
Zo kreeg de Joodsche Kunstnijverheidsschool maandelijks een subsidie van deze ComFinA en dat kreeg het Joods Montessorilyceum ook, en dat notabene terwijl het onderdak had gevonden in de woning van Leonard Frank, de directeur van de ComFinA.

Maar de Joodsche Raad had zelf ook een bekostigingsprobleem; het is duidelijk dat de Raad, weliswaar gesticht door de bezetter, niet door het Rijk werd gefinancierd, daar moesten de Joden zelf voorzorgen.

Hier dus een uitleg over die Commissie, die zorgdroeg voor de geldstromen voor en van de Joodse gemeenschap.

De financiering van de Joodsche Raad met zo’n achthonderd medewerkers in de literatuur onduidelijk. De Jong rept (V p 527) slechts van een ‘belasting’ die Joodse burgers aan de Raad moesten betalen. Ook Presser (vanaf p 492) heeft het over een ‘verplichte bijdrage’ maar zijn verhaal is – ook hier, nogal warrig. Duidelijk is wel dat er geen sprake was van een bijdrage van het Rijk; de Joodsche gemeenschap draaide er zelf voor op.

Hoe dat zat, construeer ik adhv verslagen e.d. van de Commissie Geldelijk Beheer [NIOD 182/173 en 174].

Al in 1939 stelde de toenmalige Coördinatie Commissie voor Bijzondere Joodsche Belangen, een ‘heffing’ in, bedoelt om de belangen van de Joodsche Gemeenschap intern op te lossen, met name het vluchtelingenprobleem.  Vanaf november 1938, na Kristalnacht ontstond er een gestage immigratiestroom. Dat kon (of wilde) de Nederlandse staat niet (helemaal) bekostigen. Er werd door de joodse geloofsgemeenschappen een ‘Centraal Bureau’ gevestigd aan de Keizersgracht, op nr 756, dat onder leiding kwam van mr. Leonard David Frank [1903-1943].
Er werden heffingen ingesteld en nauwgezet geïnd en geadministreerd, eerst alleen dus ten gunste van die Duitse vluchtelingen  maar in februari 1941 na de instelling van de Joodsche Raad voor Amsterdam, kwam de commissie en haar bureau onder de Raad, als Commissie Financiële Aangelegenheden, ComFinA. wel als een zelfstandig orgaan [maar professor Cohen zat óók in dit bestuur].
Vanaf najaar van 1941 als de bezetter Lippmann Rosenthal & Co als de enige ‘bank’ heeft aangewezen waar de joden mogen bankieren, werd de Joodsche Raad gedwongen haar financiële huishouding daar onder te brengen.
Niet veel later werden de heffingen bedoeld voor de hele joodse  gemeenschap, waaronder uiteraard de kosten van het ‘apparaat’; die werden in de loop van 1942 begroot op een miljoen ‘sjaars.

De heffingen waren toen niet meer vrijblijvend; er werd druk uitgeoefend, er waren inspecteurs en controleurs, men kreeg een dringend betalingsverzoek [NIOD 182-174/32]. Er werd een betalingsbewijs uitgegeven en zonder dat kon je geen gebruik maken van enige dienst of uitkering van of vanwege de Joodsche Raad. Het ging in eerste instantie om zoiets als 1% van het jaarinkomen en dat liep in 1942 op tot een bij-elkaar geschraapt bedrag van ruim 5 miljoen, over 1941.

[Onder NIOD 182-174/33 e.v. is een goed overzicht te vinden van de opbrengsten uit de hele Mediene. Verderop onder 174 bevinden zich ook overzicht per maand van de uitgaven.] [afbeelding uit collectie JHM]