Naar de kaart

1e joodse Kleuterschool

de Duizendkinderenschool

De Duizendkinderenschool, Rapenburgerstraat 52, in de jaren ’60 voor het tegen de vlakte ging

In de Rapenburgerstraat op nummer 105 en daar schuin tegenover op nummer 52 stonden de twee gebouwen van ‘de Duizendkinderenschool’ – oftewel ‘de Eerste Joodse Kleuterschool’ van de Nederlands-Israëlische Vereniging voor Minvermogenden.

In het ene gebouw zaten de leerlingen van 4 tot 7 jaar, terwijl in het gebouw dat er nu nog staat, de kleintjes zaten, tot hun vierde jaar; dat heette dan ook de ‘bewaarschool’.

Beide gebouwen en scholen waren er al van af 1886. Ze bestonden dus al ruim 50 jaar toen de Duitse bezetter van Nederland per augustus 1941 uitvaardigde dat joodse kinderen niet langer met andere kinderen school mochten gaan. Dat trof natuurlijk óók de kleuterscholen en bewaarscholen in Amsterdam, maar vanzelfsprekend niet de joodse scholen in de stad, zoals deze twee joodse scholen in het hart van de oude Jodenbuurt.

Op de plattegrond van de architecten Salm (vader en zoon, ook goed voor het Artis-Aquariumgebouw) uit 1886 is goed te zien waarom de school de ‘Duizendkinderenschool’ werd genoemd; in elk lokaal was ruimte voor ruim 125 kinderen.

Eind jaren dertig waren er naast deze twee joodse scholen voor voorbereidend onderwijs, nog 2×2 andere :
de kleuterschool van de Nederlands-Israëlische Schoolvereniging ‘Kennis en Godsvrucht’ was vanwege het leerlingental ook gevestigd in twee panden, in een grachtenhuis aan de Nieuwe Keizersgracht 54; Sipora de Jong-van Gelderen [1897-1943] was daar het hoofd, terwijl de kleintjes apart zaten in een verbouwd dubbel woonhuis op het binnenterrein achter Plantage Muidergracht nr 5 met Elisabeth Friedman [xx] als leidster.

En dan was er nog het ‘Trenshuis Ouhel Hajjelodiem’ van de Vereniging voor Israëlische Voorbereidende scholen en Kinderbewaarplaatsen in de Keizerstraat 23, met Mathilde Perel [1915-1944] als hoofd en een peuterafdeling aan de Oudezijds Voorburgwal, op nr 59 waar Deborah Drukasch [xx] de leiding had.

Rapenburgerstraat 105, waar de peuters van de ‘Duizendkinderenschool’ zaten. Na 1945 vestigde het Rode Kruis daar haar ‘bloedbank’ – tegenwoordig zijn het appartementen.

In die tijd (en nog geruime tijd na 1945) begon de leerplicht voor de lagere school in het jaar dat je zeven werd, terwijl je vanaf je vierde al naar de kleuterschool mocht en er voor de kleintjes, vanaf drie jaar de bewaarschool bestond.

Al het onderwijs onder de zeven jaar (en boven het 15e jaar) was wettelijk gezien niet bekostigd. De gemeente Amsterdam, subsidieerde wel zo’n 50 openbare kleuterscholen, maar niet die van een geloofsrichting, zoals die met een Nederlands-Israëlische signatuur. Daar werd dus schoolgeld geheven, van 10 tot 30 cent per week; maar de Kennis & Godsvrucht scholen vroegen zelfs 2,50 gulden per maand. Die waren zodoende niet bereikbaar voor de joodse arbeiderskinderen.

Terwijl het gewone, openbare onderwijs zwaar getroffen werd door die maatregel waarbij de joodse leerlingen uit hun klassen werden verstoten, had de joodse scholen daar natuurlijk geen last van, sterker nog er was sprake van een opvallende stijging van het leerlingental, door overstappers uit de openbare scholen. Dat gold voor de vier joodse lagere scholen, maar evenzogoed voor de joodse kleuter- en bewaarscholen.

Sinds najaar 1942 waren alle joodse scholen, de openbare die door de gemeente waren opgericht én die, die onder een joods schoolbestuur stonden, overgedragen aan de Joodsche Raad, die daarvoor een Joodsch Schoolbestuur met een eigen onderwijsbureau stichtte.

Volgens de door mij bijeengesprokkelde gegevens moeten er per september 1941 zo’n 6 á 700 kleuters op die zes scholen hebben gezeten. Voorjaar 1943 toen de grote razzia’s plaatsgrepen daalde dat aantal razend snel. De ene na de andere kleuterschool werd daarop gesloten, de meeste kleuterleidsters waren weg en ook de kinderen waren verdwenen; deels omdat ze thuisgehouden werden. De afstanden van huis naar de kleuterschool was gewoon te groot voor de kleintjes, – lopen was niet te doen en fietsen, trammen, laat staan ‘per automobiel’ was voor joden verboden. Bovendien was het voor de ouders gewoon te onveilig om de straat op te gaan.
Zo ontstonden in de loop van het voorjaar 1943 op allerlei plaatsen in de stad kleine particuliere kleuterscholen – onder andere bij een bezorgde ouder thuis. Er kwamen schooltjes in Noord (in Asterdorp), in de Watergraafsmeer (bij een moeder thuis in de Johan Kepplerstraat) in Zuid (in de Krammerstraat en bij de Lekstraat-sjoel) en in de Transvaalbuurt (Retiefstraat).
Het schoolbestuur wilde ook die schooltjes onder haar hoede nemen, maar zag daar toch van af; er was geen geld voor en bovendien was het te laat.
Halverwege augustus 1943 was de situatie van het voorbereidend onderwijs dus heel divers en versnipperd – er waren nog maar twee ‘officiële’ kleuterscholen, die van Kennis en Godsvrucht met Sipora de Jong-van Gelderen op de Nieuw Keizersgracht 54, waar dagelijks zo’n 13 kleuters kwamen. En in de Transvaalbuurt, waar Beatrijs de Jong een soortgelijk groepje had, daar kwam bovendien een (openbaar) Montessori-kleuterklasje bij, onder leiding van Betsie Vaz Dias [1907-1944].
Die twee klasjes groeiden samen uit tot een serieus schooltje met 42 kleuters in het schoolgebouw aan de Joubertstraat, in de Transvaalbuurt waar de (laatste) joodse Amsterdammers waren samengebracht. Eind september 1943 was het echter over en uit, de buurt werd leeggehaald en het schooltje gesloten.

Joubertstraat in de Transvaalbuurt - de laatste Joodsche school (met op de voorgrond de speeltuin die toen alleen beschikbaar was voor Joodse kinderen)