Joodse school Leiden
Pieterskerkhof
Halverwege augustus 1941 vroeg de burgemeester van Leiden aan de schoolhoofden in de stad hem de namen van hun joodse leerlingen op te geven. Nog voor de maand om was stroomden de antwoorden binnen: op twintig van de ruim tachtig scholen in Leiden zaten kinderen ‘van Joodschen bloede’.
Dat was, zoals snel bleek, de opmaat voor het bevel van de zoals dat op 30 augustus 1941 aan de ouders van al deze leerlingen per brief werd medegedeeld : ‘Aangezien Uw kind volgens door mij verkregen inlichting jood(jodin) is zal het niet (langer) tot de thans door hem(haar) bezochte school worden toegelaten, en zal ingedeeld worden op een van gemeentewege te vormen school, voor Joodsche kinderen bestemd. Het zal daarop zoo spoedig mogelijk worden geplaatst.’
Dat door de burgemeester inventariseren van de Leidse joodse leerlingen ging echter wel gepaard met wat strubbelingen, zo waren er ouders die schriftelijk en beleefd lieten weten dat hun kind ‘niet in den zin van het schrijven van Burgemeester en Wethouders van Leiden, kan worden beschouwd als te zijn van ’.
Ook het bestuur van ‘de scholen met den Bijbel’ maakte kenbaar dat ‘het verwijderen van leerlingen van Joodschen bloede in strijd zou zijn met den opdracht van Christus om het Evangelie te verkondigen aan alle creaturen’.
Ondanks deze (lichte) vormen van protest kon de Burgemeester aan het al op 22 september laten weten dat er dat er 71 Joodsche kinderen op de Leidse scholen zaten, waaronder 10 uit andere gemeenten.
Dat ‘spoedig’ waar de Reichskommissar van repte, viel echter tegen want die 29 joodse lagere school kinderen én ook 36 op de ‘middelbare’ waren te weinig om een (joodse) school te stichten; zelfs toen de van het Departement van Opvoeding de had verlaagd naar ‘tenminste ongeveer 40 leerlingen’.
Het was echter wel de taak van de in maart benoemde de Ruyter van Steveninck, ook deze kinderen onderwijs te bieden. Daarom wendde hij zich tot de omliggende gemeenten en verzamelde de joodse kinderen uit de dorpen Oegstgeest (5), Alphen aan de Rijn (2) en Katwijk (2) die ook van de ene op de andere dag zonder school zaten. Zo steeg het leerlingenaantal voor de lagere school tot 42 (waaronder zeker 13 uit het Joodse weeshuis) en kon de school beginnen.
Ondertussen had de gemeente in de voormalige R.K.-jongens-school voor U.L.O., aan het Pieterskerkhof twee klaslokalen beschikbaar gemaakt (en een kamer voor het schoolhoofd). Op donderdag 26 november 1941 opende de school haar deuren; weken later dan die 4 weken na 1 september 1941 die de leerlingen ‘unbeschult’ mochten blijven, zoals in het bevel van de Reichskommissar stond.
Voor de leerlingen in het vervolgonderwijs, zo’n kleine 30, verdeeld over, en Nijverheidsscholen wist de Burgemeester bij z’n collega in den Haag gedaan te krijgen dat ze allemaal op een joodse school aldaar geplaatst konden worden; uiteraard kreeg de gemeente Leiden daar wel de rekening voor gepresenteerd.
De nieuwe lagere school was echter met die 40 leerlingen groot genoeg om twee leerkrachten aan te stellen; de gemeente benoemde al snel Bernard van Praag [1910-1984] als Hoofd der School.
Bernard was een 31-jarige onderwijzer uit Amsterdam die in maart 1941 ontslagen was vanwege zijn joodsheid, samen met 133 andere Amsterdamse leerkrachten.
Naast hem kon er een ‘onderwijzeres van bijstand’ worden benoemd. Net als voor Bernard wendde de Burgemeester zich tot de Centrale voor het Joodsche onderwijs, die sinds enkele maanden haar best deed de benoemingen van de joodse leerkrachten te coördineren. Er waren er waarschijnlijk niet genoeg voor alle nieuwe joodse scholen in het land, vandaar die coördinatie.
De commissie kwam met enkele namen, maar uiteindelijk was het Clara Keizer een jonge onderwijzeres uit Deventer, die de benoeming aanvaardde. Ze trok in bij de familie Jozua Klein, die een joods pension dreven. Totdat Jozua in maart 1942 werd opgepakt; Clara verdween toen schielijk in de onderduik.
Bernard van Praag was minder gelukkig met z’n huisvesting; normaal gesproken moesten leerkrachten wonen in de gemeente waar hun school stond, maar van het Duitse militaire gezag mochten joden zich niet meer in de kuststreek, inclusief Leiden vestigen. Maar Bernard gaf niet op en vond – dan was het al maart 1942 een woning in Leiderdorp (verder weg van de kust). Toen ook het wonen daar hem onmogelijk werd gemaakt, vroeg hij de Leidse Joodse Raad voor hem te bemiddelen bij het zoeken naar een kosthuis waar hij dan door de week zou kunnen verblijven. Maar ook die bemiddeling leidde tot niets, dus bleef hij dagelijks pendelen tussen Amsterdam en Leiden, totdat het vanaf juni 1942 voor joden zelfs verboden werd zich te verplaatsen verder dan 6 kilometer van het woonadres.
Bernhard kreeg toen wel een reisvergunning, en ook een , maar was overgeleverd aan de willekeur van de stationscontroles. Met veel gesoebat van de Leidse overheid lukte het voor hem telkens een verlenging van z’n papieren te krijgen, ook nog eind november 1942. Dat was het laatste wat de gemeente voor hem kon doen; zijn school was toen al (samen met de andere joodse scholen in Nederland) overgedragen aan de in Amsterdam, daartoe gedwongen door de bezetter.
Maar voor het zover kwam, had de Burgemeester als vervanging van Clara Keizer [1918-1979], die in april 1942 verdwenen was, Henriette Citroen [1899-1944] uit Amsterdam weten te benoemen als ‘onderwijzeres van bijstand’, voor de lagere klassen. Ook zij moest pendelen tussen Amsterdam en Leiden, zolang als dat mogelijk was, en ook Henriette gaf het op toen haar reisvergunning per 1 september 1942 niet meer werd verlengd. Na de zomervakantie kwam ze niet meer opdagen; de gemeente deed toen een beroep op mevrouw Knorringa-de Vries uit Oegstgeest, die ooit voor haar huwelijk voor de klas had gestaan, om meteen na de vakantie in te vallen; dat had ze ook al in december ’41 gedaan, voordat Clara Keizer was benoemd.
Het was maar voor een maandje had ze met schoolhoofd van Praag afgesproken, maar helaas kwam de nieuwbenoemde juffrouw Bolle uit Den Haag niet opdagen, die was per 1 oktober aan het werk gegaan in het Israëlitisch Ziekenhuis in Amsterdam.
Meester van Praag stond er dus weer alleen voor, liet hij het Joods op 13 oktober weten . Hij pleitte voor een nieuwe onderwijzeres, alhoewel hij begreep dat het aantal leerlingen op zijn schooltje (alles bij elkaar zo’n 34 kinderen) aanleiding gaven er een eenklassige school van te maken. Vooral het gegeven dat er (zoals hij het verwoordde) een viertal ‘achterlijke kinderen’ in de lagere klassen zaten, bezorgde hem veel problemen. Het onderwijsbureau kon hem echter geen nieuwe leerkracht bezorgen, die waren er gewoon niet meer, dus bleef Bernhard die laatste maanden in z’n eentje. Totdat halverwege maart 1943 met de laatste grote razzia, de stad ‘ontjoodst’ werd, waarop het Joodse schoolbestuur de gemeente liet weten : ‘In verband met het feit dat, de leerlingen van de Joodse school te Leiden, waaronder de kinderen van het Weeshuis, niet meer in Leiden woonachtig zijn, verzoek ik u de huur van het door ons gebruikte schoolgebouw te willen doen beëindigen op Maandag 22 maart 1943’ [19 maart 1943 JR aan Burgemeester Leiden]
Het voorgezet onderwijs van de Leidse middelbare leerlingen speelde zich die paar jaar vooral in den Haag af, waar ze met de Blauwe Tram meestal tezamen naar toe reisden. De Hbs-leerlingen, dat waren er 5 bezochten daar het pas geopende Joods Lyceum aan de Fischerstraat. Terwijl de elf joodse ULO-klantjes nog tot januari 1942 moesten wachten voordat er in den Haag ook een joodse ULO kwam, in de Waalstraat vlakbij Station Staatsspoor.
Maar de meeste ULO-leerlingen en vier van de vijf Hbs’ers haakten echter tegen de zomer van 1942 af. De leerplichtig eindigde in die tijd in het jaar dat je vijftien werd; reden genoeg om als het niet echt moet of hoeft de deur uit te gaan, waarbij de reisbeperkingen die de bezetter vanaf juni 42 de joden oplegde bepaalt niet motiverend waren.
Ik heb voor deze tekst dankbaar gebruik gemaakt van de tekst die Leonard Kasteleyn, in 2003 is gepubliceerd in ‘Vervolging en bescherming, joden in Leiden1933 – 1945’ – een uitgave Stedelijk Museum de Lakenhal – Leiden. Maar in de eerste plaats leunt mijn tekst op de documenten die ik in het Leids Archief heb mogen raadplegen : T.4848 – I.1001 (A) en 1010.
En dan nog dit
Het is mijn bedoeling dat in 2025 op alle plekken waar in 1941-1943 een joodse school gevestigd was (lager onderwijs; ulo; lyceum) een klein herinneringsbordje komt met een QR-code die leidt naar de website-pagina die over die plaats en school (scholen) gaat.
Het is niet makkelijk voor mij, om vanuit Amsterdam waar ik woon, dat voor elkaar te krijgen.
Daarom vraag ik medewerking van iedereen die zich betrokken voelt bij een stad in de Mediene en/of de geschiedenis van een van de Verdwenen Joodse Scholen.
Voel je je aangesproken ? Neem dan alsjeblieft contact met mij op via aart@verdwenen-joodse-scholen.nl
Dat geldt ook als je specifiek iets willen weten of als je informatie hebt over een van de joodse scholen in Nederland – in de periode 1941-1943.