Joodse school Almelo
Schalderoi
Eind augustus 1941 toen de schoolvakanties waren net afgelopen, maakte de bezetter bekend dat leerlingen van bloede vanaf 1 september niet meer naar school mochten gaan met de andere (niet-joodse) leerlingen. Er moesten aparte joodse scholen komen.
Al snel nadat de deze isolatie-maatregel bekend had gemaakt, kon de gemeente Almelo op een rijtje zetten hoeveel en welke van de Almelose schoolkinderen hierdoor getroffen zouden worden. Op 27 augustus 1941 stuurde Mello Sichterman (die vanaf 1925 tot in 1945 in functie bleef) een overzicht naar het van Opvoeding dat de regie had over het op te richten Joodse onderwijs. Op die lijst stonden 56 leerlingen waarvoor dus van gemeentewege onderwijs moest worden geregeld.
Maar in Almelo liep het een beetje anders; al voor aanvang van de bezetting was er een landelijk commissie ontstaan die behulpzaam was bij de toestroom van joodse vluchtelingen uit Duitsland. Die Coördinatie Commissie voor Joodsche Belangen had een netwerk van plaatselijke afdelingen, veelal verbonden aan de lokale Israëlitische Kerkgemeenschappen. Ook in Almelo was zo’n plaatselijk commissie, begrijpelijk want de grens met Duitsland was nabij, en het kleine stadje kende zowaar een (klein) ‘vluchtelingenprobleem’. Maar toen de Duitse bezetting eind mei 1940 echt een feit was, richtte die landelijke commissie en de plaatselijke comités zich gaande weg op de behartiging van de belangen en het welzijn van de joodse burgers. En zodra de isolatie van de Joodse leerlingen een feit werd, ontfermde veel van de plaatselijke commissies zich ook over die verbannen leerlingen. En zo kreeg de burgemeester van Almelo meteen al op 2 september van de plaatselijke Commissie het verzoek ‘Uw invloed te willen aanwenden en de noodige stappen te willen nemen teneinde de bedoelde maatregelen – voor zoover het Almelosche leerlingen betreft – ongedaan te maken.’ Want, zo als in een eerdere alinea werd gesteld ‘Het laat zich aanzien dat het onmogelijk zal blijken hier ter stede maatregelen te nemen waardoor de leerlingen het hen passende onderwijs kunnen blijven volgen.’
Nog dezelfde week richtte de burgemeester zich tot de Secretaris-generaal van het Departement van Opvoeding in Den Haag om te melden dat er in Almelo 21 Joodsche leerlingen op de openbare school zaten en 35 op de openbare lagere scholen, ‘terwijl zich in deze Gemeente de moeilijkheid voordoet, dat hier maar één Joodsche onderwijzer beschikbaar is om onderwijs aan deze Joodsche kinderen te geven.’ Vervolgens concludeerde de burgmeester dat het niet mogelijk was het ‘gestagneerde onderwijs aan Joodsche kinderen met plaatselijke leerkrachten te doen voortbestaan’; hij vroeg de Secretaris-generaal dat de kinderen terug mogen keren naar hun eigen school, in afwachting van de te nemen maatregelen.
Nog geen vijf werkdagen later schrijft het Departement terug dat ‘De bezettingsoverheid heeft voorgeschreven dat de maatregelen ten aanzien van de leerlingen van Joodschen bloede zonder uitzondering moeten worden doorgevoerd.’
Aangeraden werd om wat betreft het tekort aan leerkrachten contact te maken met de Coördinatie Commissie voor de Joodsche belangen. En zo werd de chef van de 2e afdeling van de Almelose gemeentesecretarie belast met het voor elkaar krijgen van een school voor de joodse leerlingen.
Ondertussen waren er al ruim drie weken verstreken dat de joodse kinderen niet naar school konden; de meesten zaten thuis, vooral de oudere kinderen kropen bij elkaar om samen toch te kunnen doorleren. De joodse onderwijs commissie die van de burgemeester begrepen had dat er geen uitzondering gemaakt kon worden en dat de gemeente werk ging maken van een joodse school, nam het initiatief om de twee lokalen van de Israëlitische godsdienstschool om de hoek van de beschikbaar te maken om alvast met onderwijs te beginnen. Er was immers een joodse leerkracht, die sinds zijn ontslag vanwege zijn joodszijn thuis zat, beschikbaar.
Van de gemeente werden schoolbanken geleend en allerlei andere zaken om het onderwijs mogelijk te maken. En zo startte nog voor de maand september om was een schooltje, niet officieel en ook niet volgens de regels, maar de kinderen, meester David Lindeman [1915-1943] en de plaatselijk joodse onderwijs commissie waren tevreden, althans voorlopig.
Maar de chef van de 2e afdeling zat niet stil en begon met het zoeken naar een geschikte ruimte voor een gemeentelijke joodse school voor lager onderwijs. De bezetter had bepaald dat zo’n school niet onder een dak mocht zitten met een niet-joodse school en omdat er geen schoolgebouwen leeg stonden werd een beroep gedaan op diverse andere lokalen. Uiteindelijk kwam de chef toch uit bij dat godsdienstschooltje waar inmiddels de niet officiële lessen waren begonnen, andere locaties waren gewoon niet beschikbaar.
Vervolgens maakte hij contact met de nieuwe landelijke Centrale voor het Joodsche Onderwijs (CCJO), die onder andere als taak had de gemeenten te helpen bij de benoeming van de leerkrachten. Er waren ondertussen zo’n 40 plaatsen waar een joodse school gesticht moest worden en enige coördinatie bij de benoeming van de joodse leerkrachten, die nogal schaars waren, was geboden.
Alles bij elkaar duurde het tot eind oktober voor er schot in zat de joodse school voor lager onderwijs in Almelo te stichten. Er kwam opnieuw een schrijven van het Departement, waarin naast zo’n 30 andere gemeenten, Almelo werd aangewezen voor de stichting van zo’n joodse lagere school; de kosten die daarmee gepaard zouden gaan kon de gemeente voorschieten; op een later moment zou er een Rijksregeling kunnen komen.
Ook had die CCJO een tweetal onderwijskrachten voorgedragen en zo kon die lagere school halverwege november 1941 eindelijk haar deuren openen.
In totaal waren er 44 leerlingen; waarvan 11 uit de ‘buitengemeenten’, verdeeld over 7 leerjaren, allemaal met zo’n 6 tot 7 kinderen; de zesde klas echter met 9 en het jaar met slechts 3 kinderen.
Voor zo’n klassebezetting waren in normale tijden tenminste vier leerkrachten gewenst, maar zoals al snel bleek kon de CCJO slechts de benoeming van twee goedkeuren, meer zat er niet in.
En dan nog, het was niet eenvoudig: David Lindeman die de eerste keus had kunnen zijn omdat hij in Almelo voor de klas had gestaan, was ondertussen benoemd als schoolhoofd op de joodse school in Arnhem. Dus werden het Emma van Buren [1906-1981], uit Dedemsvaart en Simon Machiel Noach [1887-1941], maar tot ieders schrik was hij op 14 september in Hengelo al bij een razzia opgepakt en naar Mauthausen verdwenen. In Mozes de Groot [1888-1942] uit Steenwijk werd een goede vervanger gevonden, die meldde echter dat zijn gezondheid zo’n benoeming niet toe liet.
Maar de school moest ondertussen echt wel van start, dus werd Emma van Buren per 16 november 1941 tot hoofd benoemd, ze had er immers de papieren voor, en als tweede kracht kwam Emma Jacobs (e.v. Albert Sachs) [1896-1944] uit Borne erbij – zij was in feite een Duitse vluchteling en had in geen jaren voor de klas gestaan.
Nauwelijks later werd er toch een mannelijke kandidaat voor het hoofdschap gevonden; een vrouwelijk hoofd der school viel niet echt in goede aarde. De chef van de 2e afdeling kwam met Henry Meyers [1911-1970], als onderwijzer in Borne ontslagen, op de proppen en werden hij en juf van Buren als tweede leerkracht, vanaf 1 december 1941 op de Joodse lagere school in Almelo aangesteld en werd Emma Jacobs voor die twee weken invallen bedankt.
De leerlingen hoorde je niet klagen, eindelijk terug naar school en notabene in het zelfde klaslokaal waar ze al vanaf september les hadden en waar de meesten zelfs de jaren er voor wekelijks op woensdag en zondag godsdienstonderwijs hadden gehad.
De gemeente leverde de benodigde schoolboeken en het gewone lesprogramma werd ingevoerd met als toevoeging een uur godsdienstonderwijs per week; hoogst ongebruikelijk op een gemeenteschool.
Het enige wat nog ontbrak was een plek om lekker te gymmen, waarop aan het schoolbestuur van de nabijgelegen christelijke Koningin Wilhelminaschool werd gevraagd om haar gymnastieklokaal beschikbaar te stellen. Het hoofd van die school liet daarop weten dat ze welkom waren, maar alleen tussen 9 en 10 uur smorgens, voor dat de eigen leerlingen gymles hadden.
Begin van het tweede schooljaar, september 1942 meldde schoolhoofd Meijers dat er 49 kinderen stonden ingeschreven, waarvan 8 in de nieuw gevormde eerste klas.
Maar toen was in opdracht van de bezette, het joodse schooltje in Almelo al overgedragen aan de Raad; er kwam een afzonderlijk Bestuur voor het Joodsche Onderwijs in Nederland. Beide leerkrachten, Meijers en van Buren werden toen door de gemeente Almelo ontslagen en meteen per 1 september 1942 door dat nieuwe schoolbestuur weer aangesteld; zo lang als het zou duren.
Maar de kosten die de gemeente in dat eerste jaar had gemaakt aan salarissen en schoolspullen werden anders dan een jaar daarvoor door de Secretaris-generaal van het Opvoedingsdepartement was toegezegd, niet door het Rijk vergoed !
De lijst met leerlingen die de burgemeester al in september 1941 aan het Departement had gestuurd omvatte in totaal 65 leerlingen, naast de 29 lagere schoolkinderen, waren er ook 24 in het uitgebreid lager en nijverheidsonderwijs geteld en 12 op de Rijks . Al die aantallen werden in de weken daarna aangevuld met elk een paar leerlingen uit de kleine dorpsgemeenten om Almelo heen, zoals Nijverdal, Rijssen, Vriezenveen en Enter, maar ook uit Hengelo. Dat liet onverkort dat terwijl het al moeilijk was om een lagere school te stichten voor deze joodse kinderen, het absoluut onmogelijk bleek om in Almelo onderwijs te verzorgen voor de ULO-leerlingen en die van de Rijks HBS. De Secretaris-generaal was daar duidelijk over, die kinderen moesten zodra daar een Joodse ULO en een Joods Lyceum waren gesticht naar Enschede; allemaal elke dag per trein.
Dat werd pas in januari 1942 een feit, al die weken in 1941 bleven deze leerlingen thuis – logisch dat de oudere leerlingen die niet meer leerplichtig waren al snel andere bezigheden oppakten en er niet over piekerden elke dag naar Enschede te reizen.
Halverwege maart 1943 kwam het bevel dat óók de joodse burgers in Almelo de stad moesten verlaten, ze werden geconcentreerd in en later in Westerbork. Binnen enkele weken waren alle noordelijke provincies ontruimd, maar in de Overijsselse Textielregio (Almelo, Hengelo, Enschede en omgeving) konden door toedoen van de Twentsche Joodsche Raad velen onderduiken. De schoonveeg actie van de bezetter bleek dus daar verre van afdoende, maar het joodse leven kwam wel tot stilstand.
Ook Henry Meijers en Emma van Buren en het gros van de leerlingen van het Almelose joodse schooltje gingen in de onderduik en zo kwam er een eind aan het onderwijs aan joodse kinderen in Almelo.
BRON
Archief Almelo : gemeente Almelo 1940/1949 : 2221/22/23
Via de onderstaande links kan je meer en verder lezen over de geschiedenis van de Verdwenen Joodse Scholen, als een van de aspecten van het leed dat de joodse Nederlanders werd aangedaan.
En dan nog dit
Het is mijn bedoeling dat in 2025 op alle plekken waar in 1941-1943 een joodse school gevestigd was (lager onderwijs; ulo; lyceum) een klein herinneringsbordje komt met een QR-code die leidt naar de website-pagina die over die plaats en school (scholen) gaat.
Het is niet makkelijk voor mij, om vanuit Amsterdam waar ik woon, dat voor elkaar te krijgen.
Daarom vraag ik medewerking van iedereen die zich betrokken voelt bij een stad in de Mediene en/of de geschiedenis van een van de Verdwenen Joodse Scholen.
Voel je je aangesproken ? Neem dan alsjeblieft contact met mij op via aart@verdwenen-joodse-scholen.nl
Dat geldt ook als je specifiek iets willen weten of als je informatie hebt over een van de joodse scholen in Nederland – in de periode 1941-1943.