Naar de kaart

Joodse scholen Arnhem

In het gebouw met de rode stip, de vrml. openbare lagere school XVIII, aan de Trans in Arnhem was vanaf najaar 1941 de Openbare lagere Joodse School gevestigd.

Net als elders in het land, kreeg de Arnhemse in augustus 1941 opdracht de namen en gegevens van alle joodse schoolkinderen te verzamelen. De Duitse had namelijk bepaald dat deze leerlingen niet langer met niet-joodse kinderen samen school mochten gaan. Er moesten aparte scholen komen uitsluitend voor kinderen en leerkrachten van bloede; dat moest dus ook in de Gelderse hoofdstad Arnhem.

In Arnhem woonden op een bevolking  van zo’n 90 duizend zielen, ruim 2 duizend joodse Nederlanders, een deel van hen was leerplichtig c.q. schoolgaande;  waarschijnlijk waren dat er ruim 200. Daar moest dus per 1 september 1941 zo snel als maar mogelijk was, door de gemeente afzonderlijk onderwijs voor worden geregeld.
Bovendien zo had de Secretaris-generaal van het Departement van Opvoeding in den Haag besloten, moest dat onderwijs aan joodse kinderen in Arnhem ook een regionale functie hebben; toegankelijk voor leerlingen uit de omliggende gemeenten, waar te weinig joodse leerlingen waren om een zelfstandige school te beginnen. Dat gold zeker ook voor het vervolgonderwijs zoals een en een Lyceum met afzonderlijke en Gymnasiumklassen. Voor al deze vormen van onderwijs kwam er in Arnhem dus een aparte variant, uitsluitend toegankelijk voor joodse kinderen.

Helaas is het archief van de Afdeling onderwijs van het Arnhemse stadhuis bij de ‘slag om Arnhem’ verloren gegaan. De gegevens die de basis voor deze tekst vormen heb ik bij elkaar gesprokkeld uit verschillende bronnen (zie onderaan de tekst).

JOODSE LAGERE SCHOOL 

Terwijl de bezetter had bevolen dat de joodse leerlingen vanaf 1 september 1941 niet meer toegelaten mochten worden in het gewone onderwijs, duurde het tot begin november dat  er een afzonderlijke joodse lagere school werd geopend. Die werd gevestigd in het schoolgebouw van School XVIII (die in 1935 was opgeheven) aan Trans 10, in het hartje van  de oude stad en startte op maandag 10 november 1941. Er waren ruim 100 joodse leerlingen, gelet op het feit dat de burgemeester van Arnhem vier leerkrachten had benoemd :
David Lindeman uit Almelo als Hoofd der School [1915-1943]Hanna Bonnettemaker uit Amsterdam [1912-1958] (e.v. David Barmes [1914-1664]), Henriette (Jetty) Hirschel, [1921-2005]; Sophie Renée Themans [1921-1995] uit Doetinchem (huwde in 1942 met Bram Menk [1914-1995] en Jetty Modiefsky [1924-1943] als ‘ zonder acte’.

De Afdeling Onderwijs van Arnhem stelde voor deze nieuwe school een afzonderlijke lessentabel vast, waarvan opvalt dat er in alle klassen drie uur per week Godsdienstonderwijs werd gegeven.
Hoogst ongebruikelijk op een school die door een Nederlandse gemeente werd gesticht en onderhouden. Er was immers sprake van ‘scheiding van kerk en staat’; het godsdienstonderwijs werd altijd buitenschools gegeven; niet binnen de schooltijden.
Dat het in de Arnhemse Joodse school wél binnen schooltijden werd gegeven, berust op een bepaling van de Secretaris -generaal van het van Opvoeding. Hij omschreef de nieuwe joodse scholen als ‘ongesubsidieerde inrichtingen van onderwijs’ en dat omdat de bezetter besloten had dat het onderwijs aan joodse kinderen uiteindelijk door de joodse gemeenschap zelf moest worden bekostigd.
Maar aanvankelijk stichtte de burgerlijke gemeenten wél de scholen, benoemde het onderwijzend personeel, bepaalde de gang van zaken én betaalde de huur en de salarissen, totdat het joodse onderwijs in september 1942 werd overgedragen aan de .
De consequenties van deze regeling werden pas duidelijk nadat de bezetter in 1945 weer vertrokken was. [lees verderop onder het kopje ‘rechtsherstel’].

ULO-ONDERWIJS

Naast de joodse kinderen in Arnhem en de naburige gemeenten, in de lagere schoolleeftijd, waren er uiteraard ook best wel wat oudere leerplichtige leerlingen. Hoeveel het er waren en van welke scholen ze kwamen is (nog) onbekend, maar zeker is dat er te weinig Ulo-leerlingen waren om een afzonderlijke zelfstandige joodse Uloschool te beginnen.
Het Opvoedingsdepartement in den Haag hanteerde 50 kinderen als stichtingsnorm, zowel voor een joodse lagere school als voor een Ulo. Later werd die norm bijgesteld naar ’tenminste ongeveer’ veertig leerlingen, maar ook toen waren het er niet genoeg. En terwijl de Secretaris-generaal in zijn schrijven van 15 november aan Arnhem toestemming gaf voor de stichting van een Joodse Uloschool, kwam die er niet.
In overleg met ‘den Haag’ werd toen besloten de Joodse regionale lagere school uit te breiden met een paar Ulo-klassen, zoals in meerdere steden in het land werd toegestaan.

Schoolhoofd David Lindeman (op de foto 2e van rechts) werd óók het hoofd van de Ulo. Jetty Hirschel, die al op de lagere school was benoemd, schoof door naar de Ulo-klassen, terwijl voor resp. boekhouden en wiskunde twee vakkrachten werden aangesteld, Eduard Herman Engelander [1909-1944] en Wilhelmina Hoogstraal [1918-1943] die daarvoor speciaal uit Apeldoorn kwam.

Het Ulo-team (L naar R) Wilhelmina Hoogstraal, Eduard Herman Engelander, Sophie Themans, David Lindeman en Jetty Hirschel,
Na een start op een bovenverdieping op de Kortestraat, zat het Joods Lyceum in een oud herenhuis aan de Marktstraat 12, dat de gemeente Arnhem speciaal had aangekocht - foto Gelders Archief.

JOODS LYCEUM ARNHEM

Alle joodse leerlingen in het Arnhemse vervolgonderwijs, hbs en gymnasium werden samengebracht in een speciaal daartoe opgericht Joods Lyceum, dat echter pas in februari 1942 startte. Er waren toen ongeveer 80 leerlingen; verdeeld over verschillende klassen en niveaus, van Middelbare Meisjes School (MMS), HBS-A en -B en Gymnasium-A en -B.

Naast de leerlingen uit Arnhem kwamen er ook aardig wat uit Apeldoorn, Bennekom, Ede, Dieren, Doetinchem, Nijmegen, Veenendaal, Zevenaar en Zutphen.
De klassen waren klein, sommige telden slechts een of twee leerlingen. Maar ondanks deze geringe omvang kreeg de school in april 1942 wel gewoon de status , zowel voor de HBS-afdeling als voor het Gymnasium. Ook werden er in juli 1942 nog gewoon examens afgenomen, met twee kandidaten voor het HBS-a diploma en ook twee voor Gym-B. meer examen-leerlingen waren er niet.

Leerlingenlijst (1e t/m. 4e klas) van het Arnhems Joods Lyceum, in het 2e schooljaar (GA 1557/1443)
de leerplannen van Gymnasium A en B, Hbs A en B en de MMS omvatten tezamen 524 lesuren en dat met 18 docenten, die dus gemiddeld een lestaak van 29 uur hadden

LICHAMELIJKE OPVOEDING

Terwijl op de lagere school en de ulo-kop geen gymnastiek werd gegeven, ‘wegen gebrek aan een geschikt gymnastieklokaal’- het stond dan ook niet in de lessentabel, werd op het lyceum het vak lichamelijke opvoeding wel gegeven. Er waren twee docenten, Heintje Velleman voor de meisjes en Felix Polak voor de jongens.
Het gebouw waar het lyceum het eerste schooljaar zat aan de Markstraat had echter geen ruimte daarvoor, gelukkig kon de Israëlitische Gemeente vanaf april 1942 een lokaal beschikbaar stellen aan de Kippenmark.
Zelfs de jaarlijkse sportmiddag die een landelijke traditie was in het voortgezette onderwijs kon doorgaan, op 30 juni 1942, wel met speciaal daarvoor gekregen toestemming van zowel burgemeester Bloemers, als van de für Jüdische Auswanderung, maar het sportterrein was wel zo gelegen dat het van de openbare weg niet zichtbaar was.

HANDWERKEN

Ook al had juf Hanna Bonnettemaker een handwerk-acte, ‘Nuttig Handwerken’ stond in verband met de materiaalschaarste, niet in het lesprogramma van de lagere school.
Dat lag anders op het Joods Lyceum, daar stond het wel in de lessentabel, voor de hogerejaars meisjes van de HBS en natuurlijk ook van de . Bij elkaar zo’n 8 uur per week, waarvoor Hanna vanaf de start van het lyceum op 3 februari 1942 een aanstelling voor kreeg, naast de taak die ze op de lagere school bleef vervullen.

de docentenlijst, zoals ik die vond in het Gelders Archief, vermoedelijk opgesteld in het eerste cursusjaar

De consequentie van zo’n complete school zoals het Arnhemse Joods Lyceum, was dat er nogal veel docenten waren aangesteld. Vaak maar voor enkele uren per week, waarvoor sommigen dan speciaal naar Arnhem moesten reizen, zolang als ze daar een voor hadden. Vooral in het tweede schooljaar toen de reisbeperkingen aldoor zwaarder werden, was het bijna niet meer te doen, het team werd aldoor kleiner. Als ze al niet waren weggehaald kozen de meesten er voor geen risico meer te lopen door onbesuisd de trein of bus te nemen voor een paar uurtjes met een handvol leerlingen.

Het lerarenteam van het Arnhemse Joods Lyceum (juni1942) met bovenste rij (L naar R) : Jan de Jong (geschiedenis), Abraham Menk (wis-en natuurkunde), onbekend, Louis Gerson (biologie); staand voor de muur: Salomon Horst (wiskunde); zittende (L naar R) Ephraïm Waivisz (Nederlands), Mieke Rosenbaum (Duits), Wessel Wessel (Natuur- en Scheikunde), Maryanne van Leer (Frans), Alexander Roselaar (Staatsinrichting en Rector), Dina Samson (Tekenen), Abraham van der Heijden (conciërge).

Na de zomer van 1942, de oproepingen en razzia’s hadden al vele gaten geslagen zowel bij de leerlingen als onder de leerkrachten, werd ook in Arnhem het joodse onderwijs door de gemeente overgedragen aan de Raad, die er een afzonderlijk bestuur en voor opzette. In tal van plaatsen, zo ook in Arnhem kwam een joodse onderwijscommissie die het contact onderhield met het landelijke schoolbestuur in Amsterdam.

Toen dat nieuwe schoolbestuur ging bezuinigen, werd al het joodse onderwijs in Arnhem samengebracht in de lokalen van de godsdienstschool van de Israëlitische gemeente aan de Kippenmarkt (zo’n beetje naast de Eusebiuskerk).
De leerlingenaantallen waren toen al teruggelopen naar 15 leerlingen in de lagere- en ulo-klassen en slechts  25 op het lyceum.

Begin april 1943 werden alle Joden die nog woonden in de noordelijke provincies, Overijssel en Gelderland ‘geëvacueerd’ naar ‘Auffanglager’ Vught. Daarmee kwam er ook een einde aan het Joodse Onderwijs in Arnhem.

De 5e klas-meisjes van het Arnhems Joods Lyceum, zomer 1942 v.l.n.r. Marion Blöde (Arnhem), , Henriëtte Themans (Doetinchem), Eva Goldstein (Arnhem), Inie Gans (Arnhem), Greet Koster Arnhem).

RECHTSHERSTEL

Een paar jaar na de bevrijding dook er een kwestie van rechtsherstel op bij de gemeente Arnhem, het was schooljuf  Hanna Bonnettemaker die het aankaartte.

Een van eerste besluiten die de Nederlandse regering na de bevrijding nam betrof het rechtsherstel : iedereen die door de vijand uit overheidsdienst was ontslagen had recht op nabetaling van salaris alsof hij zijn functie onafgebroken had vervuld. Dat betekende dus dat óók alle joodse leerkrachten in gemeentedienst, gecompenseerd werden voor de misgelopen inkomsten over die periode gerekend vanaf 1 maart 1941 (toen ze ontslagen werden) tot 7 mei 1945. Het ging dan om een aanvulling tot 100% van de wedde, maar wel onder aftrek van het ontvangen wachtgeld en dat wat door de Joodsche Raad aan de leerkrachten was betaald boven op het wachtgeld, gedurende de maanden dat men vanaf 1 september 1942 voor de klas hadden gestaan.

Dat was dus op Hanna van toepassing, als een van de weinige overlevenden die in Arnhem in het joodse onderwijs had gewerkt in de bezettingsjaren. Ze had inmiddels van de gemeente Amsterdam financiële compensatie gekregen en herstel van haar pensioenrechten over de periode dat ze in Amsterdam voor de klas had gestaan.
Ze vroeg, verwijzend naar de Amsterdamse zaak, in Arnhem rechtsherstel voor de periode september 1942, toen het joodse onderwijs aan de Joodsche Raad was overgedragen, tot september 1945, en ze dus geen inkomen had gehad.
Maar de gemeente ging er niet op in, en argumenteerde dat ‘bedoelde scholen van het begin der oprichting af werden beschouwd als bijzondere inrichtingen van onderwijs en waren bestemd om na enige tijd te worden overgedragen aan de in oprichting zijnde Joodse Raad. Tot het moment van overdracht van de scholen moesten de gelden nodig voor de oprichting en instandhouding van de scholen worden voorgeschoten door de gemeente, welke kosten naderhand zouden worden gerestitueerd.’
Daarom stelde de gemeente zich in 1947 op het standpunt dat Arnhem niet tot het verlenen van rechtsherstel gehouden was ; de betrokkene was immers niet in dienst bij de gemeente geweest, wellicht was de rijksoverheid dat wel, die had immers in 1941 de opdracht tot het stichten van de scholen gegeven.
Maar dat klopte volgens Hanna niet, ze was immer weldegelijk werkzaam geweest in het door de gemeente georganiseerde joodse onderwijs.
En daar begon het spel van het kastje en de muur; Hanna schakelde uiteindelijk de rechter in en kreeg vervolgens in 1949 volledig gelijk en de gevraagde financiële compensatie tot een bedrag in de buurt van de 5.000 gulden (daar kon je toen ruim een jaar van leven).

Ondertussen hadden andere overlevers zich bij haar aangesloten; Jetty Hirschel en Sophie Themans, beide van de lagere school en Sophie’s echtgenoot Abraham Menk die op het lyceum wiskunde had gegeven.
Bij besluit van 29 mei 1949 ontvingen ze alle drie net als Hanna, volledige compensatie. Het kostte de gemeente alles bij elkaar ruim 13.000 gulden.

bronnen
* Margo Klijn; De stille Slag – Joodse Arnhemmers 1933-1945; Van Gruting; 2003

* Gelders Archief, archiefblok 2197/4037 en 4708
* Joods Monument Arnhem
* NIOD archief Joodsche Raad 182/120 en 139

en diverse tips (waarvoor dank)
ik hou me aanbevolen voor meer tips – informatie of aanvullingen.

en dan nog dit

Het is mijn bedoeling dat in 2025/26 op alle plekken waar in 1941-1943 een joodse school gevestigd was (lager onderwijs; ulo; lyceum) een klein herinneringsbordje komt met een QR-code die leidt naar de website-pagina die over die plaats en school (scholen) gaat.
Het is niet makkelijk voor mij, om vanuit Amsterdam waar ik woon, dat voor elkaar te krijgen. Zeker niet daar waar het gebouw ondertussen verdwenen is.
Daarom vraag ik medewerking van iedereen die zich betrokken voelt bij een stad in de Mediene en/of de geschiedenis van een van de Verdwenen Joodse Scholen.

Voel je je aangesproken ? Neem dan alsjeblieft contact met mij op via aart@verdwenen-joodse-scholen.nl
Dat geldt ook als je specifiek iets willen weten of als je informatie hebt over een van de joodse scholen in Nederland – in de periode 1941-1943.