Naar de kaart

Joodse lagere school en lyceum in Haarlem

In het gebouw van de voormalige gemeentelijke jongensschool vond in 1941 de Joodse school voor gymnasiaal en middelbaar onderwijs onderdak - de straat heette toen de Schouwburgstraat maar eerder en later was/is het gewoon de Wilhelminastraat

Ook het gemeentebestuur van Haarlem kreeg halverwege augustus 1941 opdracht de schoolkinderen van Joodschen bloede geen toegang meer te geven tot het gewone onderwijs in Haarlem. De in maart 1941 benoemde NSB-burgemeester Simon Plekker haastte zich maatregelen te nemen zodat de joodse kinderen vanaf 1 september uit hun scholen werden geweerd, om daarna binnen vier weken afzonderlijke joods onderwijs voor hen te organiseren, met uitsluitend joodse leerkrachten.

Vrij snel nadat er om was gevraagd, had de gemeente de gegevens van de leerlingen van bloede bij elkaar; niet alleen die van Haarlem, maar ook van de omliggende plaatsen waar de leerlingen getroffen werden door de isolatiemaatregel van de .
Voor de lagere schoolleerlingen, zo’n 180 bij elkaar kon makkelijk een afzonderlijke school worden gesticht; daar lag niet het probleem, wel in de locatie want in Haarlem stond er niet zomaar een schoolgebouw leeg dat centraal gelegen was en geschikt was voor nogal wat lager onderwijs klassen.
Problematischer was het voor de leerlingen in het lagere vervolgonderwijs : bij elkaar 6 nijverheidsleerlingen; 7 in het voortgezette lager onderwijs en 6 op de Avondschool voor Handelsonderwijs; vooral voor die laatste groep van niet meer leerplichtige leerlingen had de afdeling onderwijs van de gemeente niet een oplossing en eigenlijk ook niet voor die zes nijverheidsleerlingen, die nog wel waren.

de stand van zake per 1 september 1941van de aangemelde joodse schoolkinderen in Haarlem en omgeving

BLO

Het lastigste was echter de onderwijstoekomst van dat ene kind in het Lager Onderwijs; al snel schreef de aan de Secretaris-generaal van het van Opvoeding, die de regie over de isolatiemaatregel had of er wellicht een uitzondering kon worden gemaakt, zodat die ene leerling gewoon op haar school kon blijven.
Het was een probleem waar verschillende Nederlandse gemeenten mee te te maken kregen; het ging aldoor om een enkele leerling die vanwege gebreken, onmogelijk mee zou kunnen komen op zo’n nieuwe gewone joodse school.
Naast die ‘categorie’ was het ook moeilijk om dat handjevol Haarlemse leerlingen een geschikte leeromgeving te bieden; dat onderwijs was immers vakgericht met veel speciale machines voor de praktijklessen, dat kon er onmogelijk georganiseerd worden voor bijvoorbeeld die paar leerlingen in Haarlem, die bovendien in verschillende vakrichtingen werden opgeleid.

Beide problemen werden door de Secretaris-generaal goed begrepen dus hij legde een en ander voor aan de bezetter, die had immers de maatregel afgekondigd en mocht dus best wel geconfronteerd worden met de uitvoeringsconsequenties. Uiteindelijk was het antwoord van het Departement duidelijk : de BLO-leerling kon terug naar haar eigen school, de Haarlemse Buitenrustschool, terwijl de nijverheidsleerlingen verwezen werden naar het joodse nijverheidsonderwijs in Amsterdam.

op de kortst mogelijke termijn

Maar voor al die andere kinderen die door de isolatiemaatregel vanaf 1 september zonder school zaten, moest, zo vond burgemeester Plekker, ten spoedigste onderdak worden gevonden.
De directeur Gemeentewerken die dat moest onderzoeken, kwam binnen een paar dagen met het advies om zowel het lager- en ook het vervolgonderwijs te huisvesten in het gebouw van de voormalige jongensschool aan de Wilhelminastraat. Alhoewel het gebouw best groot was met 12 klaslokalen, bleek het toch te klein om zowel een zevenklassige lagere school als een lyceumachtige school te huisvesten.
De directeur stelde dan ook voor de lagere school onder te brengen in Huize Insulinde aan de Zijlweg (op nr 123, vlak bij het spoorviaduct); daar waren 8 lokalen in te richten voor ruim 150 leerlingen. Maar dat gebouw was niet een-twee-drie gereed, dus werd toch gestart in die voormalige jongensschool, met zowel de lagere schoolklassen als het vervolgonderwijs voor de joodse kinderen.
Het was blijkbaar de burgemeester alles aan gelegen om het onderwijs aan joodse kinderen binnen de gestelde termijn, dwz vóór 1 oktober te starten; dat was immers onderdeel van het isolatiebevel van de bezetter. 

Ondertussen was er contact gelegd met de Centrale voor het Joodse Onderwijs, in Amsterdam, die als taak had de gemeentebesturen bij te staan bij het werven van leerkrachten; die moesten óók van Joodschen bloede zijn en waren nogal schaars. Voor het te starten Joods Lyceum kon de gemeente een beroep doen op een leraar aan de 1e Haarlemse Hbs, Salomo Elte [1897-1978], aan hem werd de taak toebedeeld een compleet leraren team voor de en gymnasiumafdeling bij elkaar te brengen.
Anders lag het voor de lagere school – de burgemeester meende in overleg met die CCJO een beroep te kunnen doen op Menni Leefsma [1894-1944], die hoofd was geweest van de gemeentelijke -school in Zandvoort. Maar ook die gemeente trok aan hem, zodra ze daar besloten hadden dat er daar een eigen joodse lagere school zou moeten komen. In Haarlem waren ze er vanuit gegaan dat de Zandvoorste kinderen, niet alleen de Ulo-leerlingen maar ook die van de lagere school wel naar Haarlem zouden komen; het gemeentebestuur van Zandvoort vond dat voor de kleinere kinderen niet verantwoord dus kwam daar een eigen joodse school, maar Menni Leefsma was ondertussen al in Haarlem benoemd als hoofd van de joodse lagere school.
Zo ging die joodse lagere school in Haarlem van start in de eerste week van oktober 1941 met 113 leerlingen, waarvan 46 uit de omliggende plaatsen, zoals Bloemendaal (16) en Heemstede (20), maar ook uit Beverwijk (3) en zelfs eentje uit Wormerveer, die in Haarlem in de kost ging. En alhoewel die Joodse Onderwijs commissie andere leerkrachten had aanbevolen, koos de burgemeester, naast Leefsma als hoofd, voor een meester en twee juffen, die voordien in het Haarlemse onderwijs hadden gewerkt en dus op ‘wachtgeld’ stonden; de Secretaris-generaal had uitdrukkelijk aangeraden wachtgelders als eerst voor benoeming in aanmerking te laten komen. Drie leerkrachten:  Jeanette Beatrice Andriesse [1919-]; Alfred Max Cohen [1913-] en Sientje Spier [1896-1982], plus Menni Leefsma, betekende dat er vier gecombineerde klassen konden worden gevormd, waarbij Sientje Spier de kleinste kinderen kreeg en Menni Leefsma de oudsten.

Haarlem was een 'centrum-gemeente'

Tegen eind december 1941 kreeg meester Leefsma echter een aanstelling in Hilversum, als hoofd van de daar nieuwe gevormde joodse school; waarop het Haarlemse gemeentebestuur moest omkijken naar een goede opvolger. Dat werd Jacques Elion [1907-], die tot november 1940 op een school in Sint Maartensbrug (NH) had gestaan en al meer dan een jaar werkloos was.

En zo begon het nieuwe jaar, 1942 met een nieuw schoolhoofd samen met het bestaande 3-koppige team, aangevuld  met een gymnastiekmeester Mozes Nol [1911-1943]. De klassen indeling bleef het zelfde; meester Elion deed de grote kinderen, inclusief die die eigenlijk te oud waren maar niet geplaatst konden worden in de eerste middelbare klas van het lyceum.

(geen) lyceum

Naast die 113 leerlingen in de lagereschool leeftijd (van 7 tot 13 jaar) waren er ook zo’n 100 kinderen aangemeld die in een vorm van voortgezet onderwijs zaten. Die groep was feitelijk heel divers, naast de 7 leerlingen, die op de lagere school werden geplaatst en de 6 nijverheidsleerlingen die eenvoudigweg naar Amsterdam werden gestuurd, bestond de groep uit Hbs- (37), Gymnasium- (12) én Ulo-leerlingen (35).
Ulo-kinderen vormden in veel van de gemeenten waar het joods onderwijs moest worden georganiseerd vaak een probleemgroep; niet overal kon voor hen een afzonderlijke school worden gesticht. De aantallen waren meestal te klein voor een zelfstandige school, of juist te groot om ze als een aan een joodse lagere school toe te voegen.
De burgemeester van Haarlem koos er voor de 35 Ulo-leerlingen, (uit Haarlem 16; Bloemendaal 4; Zandvoort 10; Heemstede 1; Velsen 1 en Beverwijk 3) op te nemen in het te stichten Joods Lyceum.
Dat ging uiteraard in overleg met de Secretaris-generaal van het Opvoedingsdepartement, maar die stelde voor dan niet het predicaat ‘lyceum’ toe te kennen maar die school te betitelen als Joodse school voor gymnasiaal en middelbaar onderwijs. Door de instroom van zoveel Ulo-klantjes zouden met name de eerste twee klassen niet het HBS-niveau kunnen waarmaken. Dat was ook het standpunt van de Rijksinspecteur en het Provinciaal bestuur die zich van harte allemaal over deze principiële kwestie bogen.
De nieuw benoemde rector Elte loste het ingewikkeld probleem van de diversiteit van de leerlingen op door een gemengde onderbouw van twee jaar in te voeren, waar zowel de HBS-ers, de meisjes van de middelbare meisjesschool, de montessorileerlingen uit Bloemendaal én de Ulo-leerlingen samen terecht konden, waarbij die een klas lager werden ingedeeld dan op hun oude Ulo-school.

Een deel van het docententeam van de Haarlemse Joodse school voor gymnasiaal en middelbaar onderwijs : vlnr. staand: Mozes Nol (leraar lichamelijke opvoeding), drs. E.J. Polak (leraar Duits), dr. Marc Rozelaar (leraar klassieke talen), Josephus Beek (student-assistent bij scheikunde), dhr. A.N. Cohen (concierge) en zittend: mevr. Annie Emilie Otten-Wolff (lerares Frans) en mevr. dra. Hendrika Koster-Cosman (lerares geschiedenis) en vooraan: rector drs. Salomo Elte (leraar Frans)

Ondertussen had rector Elte zich ook weten te omringen door een uitgelezen team van joodse docenten die nog geen half jaar eerder juist uit overheidsdienst ontslagen waren.
En zo startte het Haarlemse Joods Lyceum dat geen lyceum mocht heten op donderdag 9 oktober, in de twaalf lokalen van de voormalige jongensschool aan de Schouwburgstraat.

De lessentabel van de Joodse school voor gymnasiaal- en middelbaar onderwijs, 1941-42 – je ziet hoe slim er combinaties werden gevormd van de kleine klassen, met soms niet meer dan 3 à 4 leerlingen. De tabel was zo samengesteld dat zowel voor de HBS als voor het Gymnasium wel het predicaat Jus Promovendi kon worden verkregen, dat toelating tot het hoger onderwijs mogelijk maakte.

maar we gaan even terug

In Haarlem begon dit hele verhaal met het besluit van burgemeester Pletter om aan alle scholen een opgave te vragen van de aanwezige leerlingen van Joodschen bloede. Dat deed hij al eind augustus 1941, vlak nadat het Opvoedingsdepartement de gemeentebesturen had geïnformeerd over de maatregel van de bezetter tot isolatie van joodse schoolkinderen.

In het Haarlems archief zitten lange lijsten van alle scholen, de openbare en de anderen van Katholieke, Christelijke en Neutrale signatuur. Ze zijn allemaal keurig afgevinkt, maar ook zijn er brieven dat zo’n (christelijk) schoolbestuur weigert zo’n opgave te doen.
Natuurlijk had de burgemeester kunnen volstaan met gebruikmaking van de gegevens die in maart verzameld waren, toen de ruim 1800 joodse Haarlemmers zich hadden moeten laten registeren. Maar blijkbaar was dat niet voldoende en volgde er een nauwkeurige telling, met namen en adressen en zonodig niet-Joodverklaringen.
Dergelijk gegevens kwamen ook binnen van de omliggende gemeenten, Haarlem was ook in dit opzicht een ‘centrumgemeente’.
De volgende stap was dat de burgemeester rond de 1ste september de joodse ouders liet weten dat hun kinderen niet meer toegelaten konden worden tot de klas op de school waar die nu net, na de zomervakantie geplaatst waren.
Er zat echter voor hem en voor de Secretaris-generaal én de bezetter een (kleine) kink in de kabel : het kind had gewoon toegang tot de school waar die ingeschreven was; dat was immers wettelijk vastgelegd en hoe gek het ook mag klinken, de bezetter was volgens het oorlogsrecht gehouden de wetten te eerbiedigen.
Een schoolhoofd kon onmogelijk een ingeschreven kind, joods of niet-joods toegang weigeren; dat gold voor het openbare én het bijzondere onderwijs; zeker de christelijke en katholieke scholen (waar overigens géén joodse kinderen op zaten) beriepen zich daar op. Waarop de burgemeester zich tot de Secretaris-generaal van het Opvoedingsdepartement wendde met de vraag hoe hij in deze kwestie moest handelen.
Het bleek een probleem dat landelijk speelde en zodra de bezetter daar weet van kreeg, werd tegen eind oktober 1941 uitgevaardigd dat niet de gemeenten of de schoolhoofden, maar de ouders aansprakelijk waren voor het ‘verwijderen van Joodsche leerlingen van de scholen’. Het niet opvolgen van dat bevel was een vergrijp en zo als ondertussen alom bekend, was de bezetter bepaald niet karig met strafmaatregelen.
Maar ergens in deze route van informatieverzoek tot de botte strafbaarstelling haakten in Haarlem twee onderwijzeressen af : Avika Taselaar en Hendrika Joosten, beide werkzaam op de Haarlemse Buitenrustschool, protesteerden bij NSB-onderwijswethouder van Driel en namen hun ontslag.

Joods Schoolbestuur

Halverwege oktober 1942 werd duidelijk dat de bezetter de volgende fase van de isolatie van de joodse schoolkinderen in was gegaan : al het joodse onderwijs dat vanaf september 1941 door de gemeenten werd geregeld, werd ondergebracht bij de , die daartoe een afzonderlijk bestuur had ingesteld: het Bestuur van het Joodsche Onderwijs in Nederland, met een zelfstandig onderwijsbureau in Amsterdam.
Terwijl onder beheer van de gemeenten er geen bekostigingsproblemen waren, moest er nu worden bezuinigd, het Onderwijsbestuur kreeg ‘slechts’ 80 gulden per leerplichtige leerling, per jaar.
Al snel werd geconstateerd dat het aantal leerlingen op beide scholen in Haarlem dusdanig was vermindert dat het niet logisch was en veel te kostbaar om die allebei open te houden. Rector Elte van het lyceum kreeg de opdracht zijn school te liquideren, want ondertussen waren bijna al zijn leerlingen samen met hun ouders vertrokken, naar Amsterdam of verder weg naar het Oosten.
Dat gold ook voor de leerlingen van de lagere school; van de vier klassen die er bij het begin waren gevormd restten na de nodige samenvoegingen nog maar twee. Bovendien waren drie van de vier leerkrachten verdwenen. Zowel meester Elion als de onderwijzeressen Spier en Andriesse hadden kunnen onderduiken.
De leerlingen werden samengebracht in twee klassen, waar Alfred Max Cohen als waarnemend hoofd voor de kleine kinderen zorgde en de biologiestudent, die als assistent op het ‘lyceum’ bezig was geweest Josephus Nicolas Beek [1921-1943] zich nu over de oudere kinderen ontfermde. Huize Insulinde was veel te duur daarvoor, het Joodse onderwijsbureau liet haar oog vallen op leegstaande schoollokalen aan het Klein Heiligland. Maar dat kon niet berichtte de burgemeester, een joodse school mocht niet gehuisvest zijn naast een andere school. Waarop de gemeente twee lokalen beschikbaar stelde in het gebouw aan de Schouwburgstraat, waar juist het lyceum werd ontmanteld en de GGD ondertussen was ingetrokken.
Of de lagere school daar direct na de wintervakantie
nog daar naar toe is verhuisd, blijft onduidelijk; halverwege februari 1943 waren de laatste Haarlemse joden naar Amsterdam gestuurd in het kader van de concentratie van alle joodse Nederlanders in de hoofdstad; Haarlem was vanaf maart 1943 ‘judenrein’ in de ogen van de bezetter.

 

voornaamste bron
archief NH – gemeente Haarlem : 

2295-6860/A23 (1941-42-43) (waarbij moet worden opgemerkt dat volgens de toen geldende gewoonten nogal wat documenten direct na 1945 zijn vernietigd)

En dan nog dit

Het is mijn bedoeling dat in 2026 op alle plekken waar in 1941-1943 een joodse school gevestigd was (lager onderwijs; ulo; lyceum) een klein herinneringsbordje komt met een QR-code die leidt naar de website-pagina die over die plaats en school (scholen) gaat.

Het is niet makkelijk voor mij, om vanuit Amsterdam waar ik woon, dat voor elkaar te krijgen.
Daarom vraag ik medewerking van iedereen die zich betrokken voelt bij een stad in de Mediene en/of de geschiedenis van een van de Verdwenen Joodse Scholen.

Voel je je aangesproken ? Neem dan alsjeblieft contact met mij op via aart@verdwenen-joodse-scholen.nl

Dat geldt ook als je specifiek iets willen weten of als je informatie hebt over een van de joodse scholen in Nederland – in de periode 1941-1943.