Joods Lyceum Rotterdam
Speelmandwarsstraat en daarna Jeruzalemstraat
onderzoek en tekst : Anne Schram Ouweneel
Tegen het eind van de zomervakantie van 1941 ontvingen de rectoren en hoofden van de Rotterdamse scholen een brief van de wethouder van onderwijs, met het verzoek hem een lijst aan te leveren van alle Joodse leerlingen van de school, “met opgave van geboortedatum en adres” Met deze brief voerde wethouder Lourens de Groot de opdracht uit van van Dam, de Nederlandse secretaris-generaal van het van Opvoeding, Wetenschap en Cultuurbescherming. Van Dam voerde hiermee het bevel van de Duitse bezetter uit tot verwijdering van de Joodse kinderen uit het gewone onderwijs.
Auf Grund des § 1, Absatz 2, meiner Verordnung Nr. 3/1940 weise ich Sie an, die erforderlichen Massnahmen zu treffen,dass ab 1. September ds. Js sämtliche jüdischen Schuler aus den niederländischen öffentlichen und privaten Schulen ausscheiden und in denkbar kürzester Frist in Judenschulen zusammengefasst werden, in denen lediglich jüdischen Lehrer unterrichten.
De droeg de gemeente Rotterdam op binnen vier weken aparte scholen voor Joodse leerlingen op te richten. De inventarisatie leverde op dat er in Rotterdam zo’n 1.000 Joodse leerlingen waren, waaronder zeker 145 in het middelbaar onderwijs. Omdat er te weinig Joodse leerlingen waren voor een apart Joods gymnasium en een aparte Joodse hbs, koos de gemeente ervoor om Joodse hbs’ers en gymnasiasten samen te brengen op één school: het Gemeentelijk Lyceum voor Joodsche Leerlingen
De school, die zijn deuren opende op donderdag 23 oktober 1941, werd gevestigd in een oud schoolgebouw aan de Speelmandwarsstraat 7 in Kralingen.
Tijdens het bombardement van 14 mei 1940, zo’n anderhalf jaar eerder, was vrijwel de hele omgeving van de Speelmandwarsstraat verwoest. Het schoolgebouw stond als een van de weinige gebouwen nog overeind. Een oud-leerling schreef: “Het gebouw lag middenin de kale, platgebombardeerde vlakte van Rotterdam”.
DE LEERLINGEN
Bij de opening in oktober 1941 telde het Joods Lyceum 145 leerlingen. In de maanden daarna kwamen er nog drie leerlingen bij, zodat de school op 31 december 1941 in totaal 148 leerlingen telde, 93 jongens en 55 meisjes. In maart 1942 was het leerlingenaantal opgelopen tot 150. In juni 1942 kreeg nog iemand toestemming om als toehoorster lessen bij te wonen. Zo kwam het totale aantal leerlingen dat ooit les had op het Rotterdamse Joods Lyceum op ten minste 151.
Het merendeel van de leerlingen van het Joods Lyceum kwam van Rotterdamse openbare scholen, zoals het Rotterdams Lyceum, het Libanon Lyceum, het Gemeentelijk Lyceum voor Meisjes, het Erasmiaans Gymnasium, en de diverse Rotterdamse hbs’en.
Op de school zaten echter ook nogal wat leerlingen van buiten Rotterdam. Vooral de Drechtstreek was goed vertegenwoordigd, met ten minste acht leerlingen uit Dordrecht, een leerling uit Sliedrecht en ook twee leerlingen uit Gorinchem. Verder waren er minstens zeven leerlingen uit Gouda, minstens drie leerlingen uit Schiedam, een leerling uit Bodegraven, een leerling uit Oud-Beijerland en mogelijk een leerling uit Boskoop.
Op het Joods Lyceum kwamen sommige leerlingen docenten tegen die zij nog kenden van hun vorige school. Al in november 1940 waren de Joodse docenten geschorst; aan ambtenaren en leerkrachten die de niet konden ondertekenen was “ambtsontheffing verleend”. Op de nieuw opgerichte Joodse scholen werden ze door de gemeente opnieuw benoemd.
De docenten van het Joods Lyceum kwamen onder andere van het Libanon Lyceum, het Rotterdams Lyceum, de Bergsingel-hbs, het Erasmiaans Gymnasium en van scholen in Den Haag, Dordrecht, Tiel en Zwolle. Facultatieve lessen in Joodse cultuur en geschiedenis werden gegeven door Lou Vorst, de latere opperrabbijn van Rotterdam. Verder was er een conciërge en een hulp-amanuensis.
DE TOCHT NAAR SCHOOL
In het eerste jaar van het bestaan van het Joods Lyceum konden leerlingen nog met trein, tram of fiets naar school. Vanaf eind juni 1942 mochten Joden echter niet meer met het openbaar vervoer en moesten zij ook hun fietsen inleveren. Vanaf dat moment moesten de leerlingen lopen. Voor veel leerlingen was dat een enorme tocht. Oud-leerling Lieneke van Praag (later Lilith Ebbinge Wubbe-van Praag) vertelde later dat ze er elke dag twee uur over deed om vanuit Schiedam naar school te lopen, enkele reis. Ook oud-leerling Arthur Trijbits herinnerde zich de tocht naar school goed:
“Wij woonden aan de Beukelsdijk, in West, fietsen waren gevorderd en trams en bussen waren ‘verboden voor joden’. De loopafstand bedroeg meer dan een uur, en de route liep deels door het troosteloze, platgebombardeerde en gepuinruimde stadscentrum.”
Voor de leerlingen van buiten Rotterdam was de tocht naar school nog veel uitdagender. Esther van Vriesland schreef in haar dagboek regelmatig over de reis per trein vanuit Gorinchem, met een overstap in Dordrecht. Ook de leerlingen uit Gouda en omgeving reisden vermoedelijk per trein naar Rotterdam. Leerlingen en docenten die met de trein naar school kwamen, kregen een reisvergunning die steeds moest worden vernieuwd. Tot ook dat niet meer mocht.
DE EERSTE DEPORTATIE
Op dinsdag 14 juli 1942 vond op school de promotie plaats. Op 17 juli berichtte rector Wijnberg aan de wethouder van onderwijs dat alle kandidaten waren geslaagd.
Zo’n twee weken later, op 30 juli 1942, was de eerste deportatie vanuit Rotterdam. Het transport vertrok vanuit Loods 24, een oude opslagplaats voor tabak op de Kop van Zuid. Carry Ulreich beschreef in haar dagboek welke taferelen zich daar afspeelden. “Misère, overal vreselijke misère. Vertwijfelde mensen!”
In Loods 24 kwam Carry schoolgenootjes van het Joods Lyceum tegen die opgeroepen waren voor dat eerste transport. Een van hen was Abraham Meijer ‘Max’ Hachgenberg, met wie zij bevriend was. Max, zoon van een bootwerker, was net geslaagd voor zijn diploma hbs-B. Omdat hij zijn schriftelijke schoolexamens zo goed had gemaakt, had hij voor zijn mondelinge schoolexamens vrijstelling gekregen voor vier van de vijf vakken. Op 19 augustus 1942 werd hij gedood in Auschwitz, iets meer dan een maand na zijn eindexamen.
Ondertussen had de in oktober 1941 benoemde NSB-burgemeester Müller al op 7 juli 1942 besloten dat het Joods Lyceum moest verhuizen naar een schoolgebouw aan de Jeruzalemstraat 7. Op 11 juli lichtte de wethouder rector Wijnberg in.
STEEDS MINDER LEERLINGEN
Zo begon het nieuwe schooljaar op 1 september 1942 in de Jeruzalemstraat, met slechts 77 leerlingen. Een deel van de leerlingen was ondertussen gedeporteerd, een ander deel zat ondergedoken, een derde deel was niet in staat om zonder vervoersmiddelen de afstand tussen thuis en school te overbruggen. Vooral oudere leerlingen stopten hierdoor met het onderwijs; de leerplicht liep destijds tot het vijftiende jaar.
Carry Ulreich, die twee maanden daarvoor schreef dat haar klas 27 leerlingen telde, zat op 7 september met nog maar drie leerlingen in de klas:
“Vorige maandag ben ik weer naar school gegaan, was reuze gezellig, want we zaten met zijn drieën in de klas. (…) Toen ik op school kwam, was elke docent erg blij mij te zien: weer een leerling erbij! Maar mama wil niet meer dat ik naar school ga. (…) Dus heb ik woensdagmiddag Drs. S. Wijnberg (rector) vaarwel gezegd. Maar hij liet me niet gaan, ik moet in ieder geval tot maandag blijven. Ik moest ook een beetje om de docenten denken (zei hij met andere woorden, want die hebben vrijstelling, en als er geen leerlingen zijn, moeten zij ook naar Polen).”
Op 22 oktober 1942 had het Joods Lyceum nog maar 39 leerlingen. De sfeer, die aanvankelijk goed was geweest, was volledig omgeslagen. Soms werden leerlingen zelfs uit de klas gehaald voor deportatie. “Ze werden bij mij weggehaald! Uit de school!” zei rector Simon Wijnberg na de oorlog in een interview. Oud-leerling Hans Cats vertelde zijn vrouw dat de leerlingen ineenkrompen bij de deurbel. Ze luisterden naar de stappen op de gang en ervoeren de klop op de deur als “een donderslag, die iedereen verwachtte…”, aldus Hans’ weduwe. Ook oud-docent Jaap van Praag herinnerde zich het ophalen van een leerling uit de klas:
“De kinderen waren dikwijls erg bedrukt. (…) Er is er ook wel eens eentje bij mij uit de klas weggehaald, midden in de les. Dat is een heel moeilijk verwerkbare ervaring. Je kunt er niks aan doen en dan komt er zo’n SS-er – Nederlanders waren dat altijd hoor – die komt dan je klas binnen en zegt: ‘Ik kom die-en-die halen’. Dan laat je hem maar gaan. Wat zou je anders doen? (…) Het was een klein jongetje, een jaar of dertien, veertien. Het was in de tweede klas, denk ik, waar zich dat afspeelde. (…)”
In het najaar van 1942 kwam het Joodse onderwijs in Nederland onder het beheer van de Joodsche Raad in Amsterdam. De financiering vanuit de gemeente stopte. De Joodsche Raad ontving van de bezetter per Joodse leerplichtige leerling 80 gulden per jaar. Daarbij kwam dat de leerlingenaantallen dramatisch waren teruggelopen. Dus moest er worden bezuinigd. In Rotterdam betekende dat vooral het samenbrengen van de leerlingen van alle Rotterdamse joodse scholen in een gebouw aan de Molenwaterweg 24, waar de Joodse mulo en twee Joodse lagere scholen al eerder waren gevestigd.
Eind maart 1943 waren het op de Molenwaterweg in totaal nog een kleine twintig kinderen, waarvan 12 op het Joods Lyceum.
Toen rector Simon Wijnberg op 31 maart 1943 naar moest vertrekken, nam docent Israel Spanjar het rectoraat over. Eind april moest ook hij op transport, waarop docent Jaap van Praag zijn taken overnam.
Een maand later werd de school opgeheven.
Van de 101 Joodse tieners die met zekerheid op het Joods Lyceum zaten, zijn er 34 omgebracht of omgekomen in Auschwitz, 17 in Sobibor en 13 in andere kampen of op andere locaties. Ook zes van de vijftien docenten overleefden de oorlog niet.
Anne Schram Ouweneel
Zuiderwoude, mei 2025
De auteur is zelfstandig historisch onderzoeker. Ze houdt zich (oa) bezig met de geschiedenis van het Joods Lyceum Rotterdam en probeert de namen van alle leerlingen van de school te achterhalen.
Tot nu toe vond zij de namen van 101 leerlingen. Onder hen waren de dagboekschrijfsters Carry Ulreich en Esther van Vriesland. Via Stichting Sanderling ontwikkelt Anne een online educatief museum over het Joods Lyceum Rotterdam, met de titel Het Vergeten Lyceum.
Een uitgebreide versie van dit artikel verscheen in het Rotterdams Jaarboekje van 2023.
Een selectie uit de geraadpleegde bronnen
*Derkx, P. & B. Gasenbeek, J.P. van Praag; Vader van het moderne Nederlandse humanisme (Utrecht 1997), 48-49.
*Collectie Joods Museum, NHM vertelt – Lilith Ebbinge Wubbe-van Praag (2019, 27 februari) [Video, vanaf ca. 16’15’’].
*NIOD, archief 182, inventaris 2.08.18: Aa, J., De maatregelen inzake het onderwijs aan Joodse leerlingen van augustus 1941 tot mei 1942 (1942), 54 [Rapport, scriptie].
*NIOD, archief 182, documentenseries 120, 131, 134 en 170.
*SAR, archief 29, inventaris 789.
*SAR, archief 62, inventaris 537, map 1941-1943: De Groot, L. (1941, 25 augustus). O. en V. 115 80/41 [Circulaire].
*SAR, archief 62, inventaris 537, map 1941-1943: Oud, P. J., & Smeding, M. (1941, 28 augustus). Aan de hoofden van de gemeentelijke onderwijsinrichtingen te Rotterdam [Circulaire].
*SAR, archief 351-01, inventaris 1333 (1942), dossiers 59 en 96.
*Schram Ouweneel, A., ‘Het vergeten verhaal van het Joods Lyceum Rotterdam, 1941-1943’. In Rotterdams Jaarboekje (Rotterdam, 2023), reeks 13, jaargang 1, 206-227.
*Trijbits, A.H., ‘Ahasverus en Erasmus’, in Schram-Ouweneel, A. & J. van Oostendorp (reds.), Het Erasmiaans Gymnasium tijdens de Tweede Wereldoorlog; Herinneringen van oud-leerlingen (Rotterdam 2003), 67.
*Ulreich, C., ‘s Nachts droom ik van vrede; Oorlogsdagboek 1941-1945 (Utrecht 2016).
*Valk, H.J., ‘De Rotterdamse Joden tijdens de bezetting’, in Rotterdams Jaarboekje, reeks 6, jaargang 3 (Rotterdam 1955), 213.
*Van der Blom, N., ‘De gevallenen’, in N. van der Blom (red.), Grepen uit de geschiedenis van het Erasmiaans Gymnasium, 1328-1978 (Rotterdam 1978), 208.
*Van Vriesland, E., Esther; een dagboek 1942 (Utrecht 1990).