Joods lager onderwijs in Rotterdam
SEPTEMBER 1941
In Rotterdam, net als in Amsterdam en den Haag waren er sinds de jaren ’20 (van de vorige eeuw) een paar openbare lagere scholen met een overwegend joodse populatie.
Meestal stuurde je je kind in die jaren naar de school om de hoek – alleen als er aanleiding voor was schreven de ouders hun kinderen op een verder weg gelegen school, dat was dan bijna altijd een bijzondere school, van een bepaalde geloofsrichting meestal.
In Rotterdam was er geen joodse bijzondere lagere school, anders dan in Amsterdam, waar vier joodse scholen bestonden, dus gingen de joodse kinderen naar een gewone openbare lager school. Maar het Rotterdamse gemeentebestuur faciliteerde wel de joodse gemeenschap door op een paar openbare lagere scholen de regeling toe te staan, zodat de leerlingen en de leerkrachten op zaterdag vrijaf waren om de sabbat te vieren. Dus zaten de meeste joodse Rotterdammertjes op een van deze drie gewone openbare scholen (1, 2, 3) samen met de andere Rotterdamse leerlingen.
Het gemengde karakter kwam bruusk tot een eind, toen de Duitse eind augustus 1941 bekendmaakte dat vanaf 1 september de en de niet-joodse kinderen gescheiden moesten worden en de joodse leerlingen naar afzonderlijke scholen moesten gaan. De van Rotterdam, de NSB-er Frits Muller die de anti-joodse maatregelen van de bezetter moest laten uitvoeren, vatte dat als volgt op : op die drie joodse scholen, resp. glo school A 228 in de Berkelstraat (1), glo school A 229 in de Osseweistraat (2) en op Zuid glo school A 230 in de Polslanderstraat (3) werden de niet-joodse leerlingen verplaatst. Zo snel als maar mogelijk was, werden het zodoende volledig joodse scholen; waar ook – want dat was onderdeel van het besluit van de bezetter, uitsluitend joodse leerkrachten voor de klas mochten staan. Die waren juist een aantal maanden eerder, eind maart 1941 uit gemeentedienst ontslagen vanwege hun joodsheid.
Een probleem bij deze snelle oplossing was dat de burgmeester een aanvullend besluit van de bezetter over het hoofd zag : de (nieuwe) joodse scholen mochten niet gevestigd zijn in het zelfde pand, c.q. onder één dak met een niet-joodse school.
In de Berkelstraat en ook in de Osseweistraat was dat wèl het geval, de joodse school zat met een andere (niet-joodse) school samen in een dubbelschoolgebouw zoals er velen waren in Rotterdam.
Er moest dus verhuisd worden, maar dat was minder eenvoudig dan de bezetter met een pennenstreek had bevolen. Er waren geen lege schoolgebouwen die bovendien niet onder hetzelfde dak zaten met een andere school.
De gemeentelijke afdeling onderwijs inventariseerde zorgvuldig alle mogelijkheden, en kwam al snel tot de conclusie dat er nogal wat openbare lagere scholen waren die nauwelijks de vestigingnorm van 125 leerlingen haalden. Dat werd grotendeels veroorzaakt door zoals dat werd genoemd ‘de ontvolking van het stadsdeel’ door het bombardement op het centrum van de stad.
Op de 22 scholen die bekeken werden zaten gemiddeld nog geen 100 leerlingen, maar toch werd de reorganisatie afgeblazen. De kinderen zouden te grote afstanden moeten afleggen naar een eventuele nieuwe school en dat werd als ongewenst bestempeld. Wel leverde de inventarisatie op dat de twee scholen aan de Molenwaterweg (9) bij elkaar slechts 180 leerlingen hadden en dus best samen in één gebouw zouden kunnen functioneren. Dus school A 181 die op nr 24 zat, trok in bij school A 277 op nr 29.
MAART 1942
Zo kwam het hele schoolgebouw op nr 24 vrij voor de twee joodse scholen, die dus verhuisden van de Berkelstraat (1) en de Osseweistraat (2) naar het tien-klassige schoolgebouw op de Molenwaterweg nr 24 (9). Ze kregen er tezamen zes lokalen, in de andere vier lokalen werd de Joodse vanuit de Wolfenfoppenstraat (4) gehuisvest, met 117 leerlingen verdeeld in twee stromen A (talen) en B (met wiskunde). (lees verder op de Ulo-pagina)
Op de ene joodse lagere school werden de kinderen samengebracht die na de 6e (nu de 8e) door zouden kunnen stromen naar het middelbaar onderwijs, (dat heette toen een ‘opleidingsschool’) terwijl de andere school was bestempeld als eindonderwijs. Ja zo ging dat toen, je was al ‘gesorteerd’ vanaf je kleuterjaren; dat gold niet alleen voor de joodse kinderen, waarvan men toen nog niet kon vermoeden hoe het verder met ze zou kunnen gaan.
Allebei de joodse scholen hadden bij aanvang zo’n 240 leerlingen, verdeeld over zes leerjaren. Het waren er teveel om er één school van te maken, in die tijd waren lagere scholen nooit groter dan zo’n 270 leerlingen. Ze kregen elk slechts 4 leerkrachten, er waren gewoon niet meer dan acht joodse leerkrachten beschikbaar die voorheen op in Rotterdam in gemeentedienst op een lagere school hadden gestaan en in november 1940 daar weg moesten vanwege hun joodsheid.
Ze werden dus per september 1941 weer opnieuw in dienst genomen, op een tijdelijke aanstelling tegen een beginnerswedde.
De ene school, nr A 227 de opleidingsschool kreeg als Hoofd der School Leentje Isaacs [1894-1981] en als leerkrachten Samuel Santen [1907-1942], Rozetta Polak e.v. de Heer [1891-1943] en Francina Margaretha van Gosselaar [1890-1943].
De andere school , nr A 229 had als Hoofd der School Louis Preger [1894-1964], met A. Hartog (nog geen gegevens), Louisa Spetter [1900-1943] en Therese Zeckendorf [1883-1942] als de andere leden van het schoolteam.
Omdat er maar zes lokalen beschikbaar waren, werd er met een wisselrooster gewerkt, waarbij om de week de ene of de ander smorgens les kreeg en de andere dus smiddags, allebei zo’n 15 lesuren per week (dat waren er ruim 12 minder dan de norm). Maar ja, waarschijnlijk waren er niet meer leerkrachten beschikbaar; landelijk was er een groot tekort aan bevoegde krachten die van joodschen bloede waren.
Hoe de leerlingen over de vier leerkrachten werden verdeeld is (nog) onbekend
Op Zuid moest de kleine joodse lagere school, (A 230) met meester Mozes Frenk [1914-1991] en juf Hartog – van Hoff ook verhuizen; van de Polslanderstraat (3) trokken ze in bij de Joodse voor jongens op de Parallelweg (6). Dat kon makkelijk, de lagere school telde maar zo’n 40 leerlingen en de Nijverheidsschool slechts 45 in de leeftijd van13 tot 16 jaar.
Voor de nog-leerplichtige meisjes was er een afzonderlijke Joodse Huishoudschool gesticht, in de Mauritsstraat 68 (6) met zo’n 60 meisjes bij aanvang in het najaar van 1941.
Naast al dit reguliere lager onderwijs voor joodse kinderen was er ook een heel klein -schooltje met één klasje voor ‘debiele kinderen’ (tegenwoordig heet dat Speciaal Onderwijs) in de Osseweistraat (2). Cornelia van Stroom ev Troost [1892-] was de enige leerkracht, maar er waren ook maar 11 leerlingen, waarvan slechts 3 regelmatig kwamen.
Dit was dus de situatie in voorjaar 1942; per 1 maart had de scholenwisseling plaatsgehad en daalde de rust terug in de klaslokalen, alhoewel het natuurlijk nogal wennen was als je de ene week smorgens naar school ging en de andere week pas in de middag. Alles bij elkaar heeft het nog geen acht maanden geduurd want na de zomervakantie in augustus 1942 was het zover dat het hele joodse onderwijs bij de Nederlandse gemeenten werd weggehaald en onder het beheer en gezag werd gesteld van de Dat was van meet af het voornemen van de , maar er waren nogal wat wettelijke en financiële obstakels, die de overdracht vertraagden.
Pas per 9 november 1942 gebeurde het feitelijk, de Joodsche Raad richtte daar een afzonderlijk bestuur voor in; Het Bestuur voor het Joodse Onderwijs in Nederland, met een eigen in de Amsterdamse Tulpstraat. Onder leiding van Isaac van der Velde werd meteen begonnen met een stevige reorganisatie van het hele onderwijs in Amsterdam, den Haag, Rotterdam en de andere gemeenten waar onderwijs aan joodse kinderen werd gegeven.
Er was namelijk een groot probleem; het nieuwe schoolbestuur werd geconfronteerd met een nogal groot verschil tussen de kosten van het joodse onderwijs en de financiële ruimte die de bezetter de joodse gemeenschap daartoe gaf.
De gemeente Rotterdam had met de reorganisatie van maart al een en ander zo ingericht dat er niet echt veel te bezuinigen viel. Twee van de drie lagere scholen zaten immers al samen in één gebouw, met bovendien ook de ulo-klassen er bij. Terwijl op Zuid lagere school en ambachtschool al samen zaten.
SEPTEMBER 1942
Maar toen na de zomervakantie bleek dat er al veel kinderen waren verdwenen en ook in de schoolteams gaten waren gevallen, door ‘weghalingen’, ‘oproepingen’ of onderduik, was de afdeling Onderwijs op het Stadhuis nog voor dat de overdracht plaatsvond, genoodzaakt een tweede reorganisatie uit te voeren, vooral gericht op het herstellen van de onderwijsteams.
Zo werd bij school A 227, waar twee van de vier leerkrachten verdwenen waren (schoolhoofd Preger zat toen al ondergedoken), naast Leentje Isaacs, die schoolhoofd werd en Francien van Gosselaar, de heer J. Cats aangesteld en ook nog de jonge kwekelinge Greta Levie kwekeling [1924-1987]. De school telde toen nog 93 leerlingen.
Terwijl op school A 229 waar schoolhoofd Therese Zeckendorf en meester Hartog nog aanwezig waren, het team werd verstrekt met Rebecca Blok [1921-1943] (zij liet zich in april 1943 alsnog dopen – gereformeerd, maar dat heeft haar niet mogen baten) en Sientje Beem [1916-1943] die stond daar al vanaf april 1942 voor de klas.
De twee scholen, want ze werden niet samengevoegd, telden tezamen nog geen 180 kinderen, veel minder dus dan die ruim 500 in maart dat jaar.
Terwijl de school op Zuid terug was gelopen naar de helft van die 40 waarmee de school begon. Juf Hartog-van Hof was toen al weg , ze werd niet vervangen, meester Frenk stond er in z’n eentje voor.
NOVEMBER 1942
Maar toen de leerlingenaantallen in najaar 1942 verder begonnen terug te lopen, door de deportaties en het onderduiken, was het landelijke schoolbestuur toch genoodzaakt óók in het Rotterdamse joodse onderwijs te snoeien.
Meteen toen de overdracht een feit was, per 9 november 1942 riep het nieuwe schoolbestuur alle betrokkenen bij het Rotterdamse onderwijs bijeen, dwz de nieuw gevormde schoolcomissie als onderdeel van der Rotterdamse Joodse Raad en natuurlijk alle leerkrachten. Isaac vd Velde, hoofd van het joods onderwijsbureau in Amsterdam, die speciaal uit Amsterdam was gekomen, lichtte de reorganisatie van het Joodse onderwijs toe. Er moest zwaar worden bezuinigd, het Rijk stelde slechts 80 gulden per leerling per jaar beschikbaar en daar de leerlingen aantallen sterk terugliepen, werd het totaal bedrag dat voor de Rotterdamse Joodse scholen beschikbaar was aldoor kleiner en was het zonder meer niet toereikend om de vele gebouwen waar het onderwijs is gehuisvest was, in huur over te nemen van de gemeente.
Er dienden belangrijke maatregelen te worden getroffen; enerzijds werd al het onderwijs aan joodse kinderen in Rotterdam samengebracht in het gebouw aan Molenwaterweg nr 24 en anderzijds dienden alle leerkrachten die naast of in de plaats van wachtgeld, een wedde van de gemeente kregen af te vloeien.
Dat betekende dat de leerkrachten die konden blijven, zonder noemenswaardige kosten aan het werk konden blijven; het Rijk betaalde immers hun wachtgeld (op basis van het laatst verdiende salaris voor het ontslag in maart 1941, toen alle joodse leerkrachten uit het onderwijs moesten vertrekken).
De concentratie van het joodse onderwijs in de Molenwaterweg had tot gevolg dat de lagere school op Zuid (met 12 leerlingen) én de ambachtschool (met 6) die samen in de Parallelweg zaten, werden opgeheven, als ook de Nijverheidschool voor meisjes (15 leerlingen) in de Mauritsstraat, en de school voor Buitengewoon Onderwijs dat met slechts 3 leerlingen nog in de Osseweistraat zat.
Voor de leerplichtige leerlingen van de ambachtschool en de nijverheidsschool werd bij school nr 229 in de Molenwaterweg 7e en 8e leerjaar ingericht, echter zonder eigen leerkracht.
De personele consequenties waren dat de beide lagere scholen, driemansformaties kregen; Rebecca Blok en Sientje Beem moesten weg van school A 229 en werden vervangen door Marijn van Dantzig [1904-1996], die van de Ulo kwam. Daar bleven Levie en Wit als duo voor het handjevol leerlingen. Op school A 227 waar nog maar twee leerkrachten waren nadat Therese Zeckendorf die in Westerbork terecht was gekomen, werd weer op sterkte gebracht met Marianne Rosalina van Dantzig [1884-xx], die ook van de Joodse Ulo kwam; zowel Marijn als Marianne (geen familie) stonden met wachtgeld voor de klas.
Met die aangepaste formatie en met zijn allen in één gebouw (ook het Joods Lyceum verhuisde mee) heeft het joodse onderwijs het na november 1942 nog een paar maanden weten te redden, alhoewel de leerlingen-populatie gestaag kleiner werd en zo af en toe een leerkracht van de ene op de andere dag verdwenen bleek te zijn.
In de eerste maanden van 1943 vonden er in Rotterdam tal van razzia’s plaats, tot en met de laatste grote actie in eind april. Waarschijnlijk is dat óók het einde van het onderwijs aan joodse kinderen in Rotterdam. Zoals elders in het land ook gebeurde zegde het Joodse schoolbestuur bij de gemeente de huur op ‘wegens gebrek aan leerlingen’.
(mocht je tips hebben of correcties en aanvullingen willen voorstellen, maak dan even contact met mij – heel graag)
Bij de pagina’s over het joodse onderwijs in Rotterdam werk ik samen met Anne Schram Ouweneel (Stichting Sanderling)