Naar de kaart

Groningen-stad

Prinsenstraat

Nauwelijks had de Secretaris-generaal van het Opvoedingsdepartement in den Haag, per brief van 1 september 1941, de gemeente Groningen laten weten dat de joodse kinderen niet meer samen met de niet-joodse kinderen onderwijs mochten volgen, of het gemeentebestuur concentreerde de joodse leerlingen op school IX aan de Prinsenstraat.

Prinsenstraat 11 Groningen-stad : van 1941 tot april1943 zat hier de Joodsche lagere school (het pand is opgeofferd voor een rijtje woningen)

Het was een vrij logisch besluit om die school tot Joodsche school te bestempelen; in de stad was geen enkel schoolgebouw leeg beschikbaar en het merendeel van de joodse leerlingen zat al op die school in de Prinsenstraat, zoals de burgemeester aan de Commissaris van de provincie liet weten.
De niet-joodse leerlingen van school IX (9) werden eenvoudigweg overgeplaatst naar school XXXVII (37) aan het Gedempte Zuiderdiep.

Simon van Hasselt met dochtertje Sophia

De Joodsche school begon op al halverwege september 1941, met Simon van Hasselt [1900-1943] als Hoofd der School; hij was daarvoor schoolhoofd in het dorp Haulerwijk geweest. Naast hem waren Saartje Frank [1910-1943], Roza Tof [1904-1990], Betje Wallage [1898-1943], Hartog Behr [1912-2007] en Jonas Wijnberg [1884-1943] de andere leerkrachten.

De school was redelijk groot met 212 leerlingen bij aanvang, verdeeld over vijf klassen plus een gecombineerde 5e/6e leerjaar. De meeste kinderen (191) kwamen uit Groningen zelf en 21 uit de omliggende dorpen : Haren (6), Hoogezand (3), Leek (4), Roden (2), Slochteren (3), Winsum (2) en Zuidlaren (1), zoals schoolhoofd van Hasselt op 6 november 1941 aan de burgemeester opgaf.

Bij het aantrekken van het onderwijzend personeel ‘van joodschen bloede’ ondervonden de onderwijsambtenaren geen probleem; een opgave van het Departement leverde in totaal zo’n 25 joodse leerkrachten voor het lager onderwijs die woonachtig waren in de provincie. Ook was er, anders dan in de meeste (kleinere) plaatsen, geen probleem bij de stichtingsnorm van de school, die voor een zesklassige school toen op 211 leerlingen lag. Maar eigenlijk werd het stichtingsprobleem eenvoudigweg omzeild door de bestaande openbare lagere school IX tot Joodsche school te maken.

‘Am 2. Oktober 1941 wurde ein Volksschule mit 6 Stundenlokalen in, Schulgebäude in der Prinsenstraat eröffnet. An dieser Schule wird in derselben Weise als an den gewöhnlichen öffentlichen Volksschule dieser Gemeinde Unterricht erteilt im Lesen, Schreiben, Rechnen, Niederländischen, vaterländischer Geschichte, Geographie, Naturkunde, Singen, Zeichnen, nützlichen Handarbeiten und Religionsunterricht. Hierbei ist der Turnunterricht noch nicht völlig geregelt aus Mangel an einer Turnhalle.’

[GRA 1841-0648 : uit een rapport voor de Beauftragter]

excepties

De leerlingentelling in de stad Groningen, waar de Secretaris-generaal om had gevraagd, leverde ook op dat er zeven kinderen in het Groninger buitengewoon onderwijs zaten, waaronder drie leerlingen op het Koninklijk Instituut voor Doven en eentje op het Instituut tot Onderwijs van Blinden in Haren.
Die twee instellingen hadden een bovenregionale functie in de toenmalige gehandicaptenzorg; vanzelfsprekend dat de Groninger burgemeester nogal in zijn maag zat met die vier joodse kinderen. Ze moesten van hun school weg en dat gebeurde halverwege september 1941, terwijl er geen plek was in een andere geschikte leeromgeving.

De Burgemeester wende zich daarom tot het Opvoedingsdepartement in den Haag, net als verschillende andere burgemeesters in (grotere) gemeenten met scholen voor buitengewoon onderwijs. Men legde de SG het probleem voor en pleitte voor een regeling waarbij voor joodse kinderen, ‘zwakzinnig’, doof of blind, een exceptie kon worden gemaakt zodat deze kinderen terug konden naar hun eigen school.
Eind oktober 1942 antwoordde de SG dat hij, uiteraard na overleg met de bezetter zo’n regeling kon toestaan, maar dat gold niet voor de ‘groep van zwakzinnigen’ in Amsterdam; daar werd een afzonderlijke BLO-school voor geopend. Overal elders in het land konden al die ‘buitengewone’ kinderen terug naar hun eigen school, zo ook in Groningen; de drie zwakzinnige kinderen, de drie dove kinderen en het blinde meisje, ze keerden allemaal voor het eind van oktober terug in hun vertrouwde omgeving.

[Dat blinde meisje was Clara van Coevorden (26 oktober 1930- 16 april 1943); het plein voor het huidige blindeninstituut in Haren is mei 2018 naar haar vernoemd.] 

Clara van Coevorden, op het Blindeninstituut (tweede rij - in het midden)

en hoe het verder ging

In de loop van november 1942 werd de Joodse school net als de anderen in het land, op last van de bezetter overgenomen door de Joodsche Raad; die ook in Groningen een plaatselijk onderwijscommissie opzette met de heren Sanders en Dasberg, die opperrabbijn van Groningen was.

Inmiddels was er ook een joodse kleuterklasje gesticht en een kleine ulo (31 ll) en lyceum (16 ll). Die zaten eerst in een schoolgebouw aan de Violenstraat op nr 2, maar vanaf december 1942 trokken ze in bij de lagere school, het gebouw was groot genoeg, zeker ook omdat het leerlingenaantal al aanzienlijk was teruggelopen.

Vanaf juli 1942 waren eerst zo’n 1.000 Groninger mannen naar Westerbork gedeporteerd, begin oktober gevolgd door zo’n 650 vrouwen en kinderen waaronder ruim 50 van de Prinsenstraat-leerlingen. Daarna was de provincie aan de beurt met een grote razzia op 28 november die alle dorpen trof. Begin februari 1943 volgde er weer een in de stad, waarbij drie van de zes lagere school leerkrachten en een twintigtal leerlingen werden opgepakt; tenslotte verdwenen met de deportatie van 12 maart 1943 ook de laatsten uit de stad. Daags daarna schrijft het hoofd van het onderwijsbureau van de Joodsche Raad, dat de school aan de Prinsenstraat in Groningen per 1 april 1943 zal worden gesloten.

Bijna iedereen is dan verdwenen, leerlingen en leerkrachten, de meesten regelrecht met de trein via Nieuweschans naar het Oosten. Van de ruim 3.000 joodse Groningers weten slechts zo’n 250 mannen, vrouwen, kinderen weg te komen, waaronder onderwijzeres Rosa Top van de school in de Prinsenstraat; ze verdwijnt schielijk naar het westen en vindt een onderduik in de Zaanstreek.

Van de bij aanvang 191 leerlingen van de Prinsenstraatschool vinden er 144 uit Groningen-stad en alle 21 uit de omliggende dorpen, de dood in de kampen.

Binnen een paar maanden was het joodse leven in de stad Groningen door de bezetter uitgegumd; na mei 1945 keerde slechts een handjevol leerlingen van de Joodse school terug in Groningen-stad.

BRONNEN
Groninger Archieven – onderwijsarchief – toegang 1841 – map 0648

Stefan van der PoelJoodse stadjers; doc scriptie RUG 2004 (p 131 ev)
Guus LuijtersIn memoriam; Nieuw Amsterdam, 2012
Digitaal Joods Monument en idem Zaanstreek