Naar de kaart

Den Haag

Bezemstraat 3

In 1941, het tweede jaar van de bezetting van Nederland werd door de Duitse machthebbers bepaald dat joodse kinderen niet langer met de andere leerlingen school mochten gaan. Vervolgens kregen tal van burgemeesters in het land de opdracht in hun stad een lagere school te openen, uitsluitend voor joodse kinderen en joodse leerkrachten. Dat gebeurde uiteraard ook in Den Haag.

het dubbele schoolgebouw aan de Bezemstraat in Den Haag, waar de joodse kinderen school gingen (afgebroken om plaats te maken voor woningen)

Maar daar gingen net zoals in Amsterdam (en Rotterdam) al vrij veel joodse leerlingen naar school op slechts een paar scholen, in de Bezemstraat in de oude binnenstad. Die scholen hadden dan ook al een sabbat-regeling (zaterdag vrij – woensdag langer les) en boden binnen het (niet verplichte) godsdienstonderwijs, ook joodse lessen aan.

Toen de joodse leerkrachten in november 1940 werden geschorst, begon de Haagse afdeling Onderwijs met het verder ‘verjoodsen’ van die scholen. Door een traject van overplaatsingen en tijdelijke benoemingen werden uitsluitend joodse leerkrachten op die twee scholen geplaatst. Tegelijkertijd werden daar nog alleen maar de joodse leerlingen toegelaten. Dat alles gebeurde na overleg met de chef Kabinet van het Departement van Opvoeding, Fockema Andreae.
Maar even voortvarend als deze verjoodsing startte werd die abrupt stopgezet, omdat die kabinetschef waarschuwde dat de kans bestond dat die scholen onbekostigd zouden kunnen raken, omdat ze niet meer vrij toegankelijk zouden zijn (lees niet meer openbaar en toegankelijk voor andere kinderen).

Toen in september ’41 de scheidingsmaatregel van kracht werd, kon die dus vrij geruisloos worden uitgevoerd, omdat alleen nog maar een handjevol niet-joodse leerlingen van die Bezemstraat-scholen overgeplaatst moesten worden. De Burgemeester van den Haag schrijft het zo aan Secretaris-generaal van Dam van het opvoedingsdepartement:

 ‘De van de openbare en bijzondere scholen voor gewoon lager onderwijs onderscheidenlijk afkomstige 846 en 113 leerlingen, als mede de 13 van de openbare lagere onderwijs-kopscholen afkomstige leerlingen zullen alle geplaatst kunnen worden in de openbare scholen voor gewoon lager onderwijs A, B en C  – Bezemstraat 3 en in de bij mijn besluit van 19 september 1941 weder voor het lager en/of uitgebreid lager onderwijs bestemde voormalige lagere scholen Duinstraat 10 en Waalstraat 32. Ik merk hierbij op, dat reeds 392 dezer leerlingen voor 1 September 1941 geplaatst waren op de uitsluitend voor Joodsche leerlingen bestemde scholen A en B Bezemstraat 3.’

[HNA 21437/0350]

zesde klas in de Bezemstraat, najaar 1942 met meester Foppe

Naast die scholen voor joods voor lager onderwijs, in de Bezemstraat, de Duinstraat en de Waalstraat met in totaal zo’n 1000 leerlingen in het eerste jaar, stichtte de gemeente ook vier scholen voor het joodse vervolgonderwijs : twee ulo-scholen [200 leerlingen], een nijverheidsschool voor meisjes [50 leerlingen] en een lyceum met ruim 200 leerlingen (lees daarover ‘Slotakkoord’ van Wally de Lange)

Begin december 1942 werd ook het joodse onderwijs in den Haag overgedragen aan de Joodsche Raad; die ontkwam er niet aan alle lagere scholen en het vervolgonderwijs samen te brengen in één pand, het grote schoolgebouw aan de Bezemstraat; er waren dan nog 376 lagere school leerlingen, 49 ulo-leerlingen, 65 nijverheids-meisjes en 67 lyceisten.

Vijf maanden later, 23 april 1943 zegde het Joodsche schoolbestuur de huur op bij de gemeente, alle leerlingen waren ondertussen verdwenen. Ook de ‘Haagsche Commissie Voor Het Onderwijs Aan Joodsche Kinderen’ die namens de Joodsche raad het onderwijs begeleidde, had inmiddels haar werkzaamheden ook beëindigd.

Net zoals in andere gemeenten waar joods onderwijs van gemeentewege werd georganiseerd, draaide Den Haag op voor de kosten, vanzelfsprekend dat ook daar getracht werd haast te maken met de overdracht aan de Joodsche Raad. Maar toen dat eindelijk gebeurde in december 1942 bleek dat de kosten die de gemeente dat schooljaar (dus vanaf september 1942) al had gemaakt, niet werden gecompenseerd, noch door een rijksbijdrage, noch door een verrekening met de Joodsche Raad.
Het is al eind november 1943 als de chef van het Joodsche Schoolbestuur van de Joodsche Raad aan de burgemeester van den Haag schrijft over de liquidatie van de Raad en dat de Joodsche Raad de claim van de gemeente niet kan betalen.
In de kranten heeft toen al gestaan dat iedereen die nog iets te vorderen heeft van de joden, zich moet wenden tot de commissaris voor niet-commerciële verenigingen en stichtingen. Maar zo blijkt, ook die kan niets meer betalen bij gebrek aan middelen, dus blijven de gemeenten (niet alleen den Haag) met de brokken zitten.

[met dank aan Wally de Lange]

BRON :
Gemeentearchief Den Haag – toegang 0610.01 mappen 2759 en 2762
Wally de LangeSlotakkoord der kinderjaren; 2003, uitgave Stichting Vrml. Joods Lyceum