Het geld

Het geld

Met de overdracht aan de Joodsche Raad wijzigde ook de bekostiging van al die nieuwe joodse scholen. In het eerste schooljaar betaalden de gemeente en het rijk, zoals dat bij wet geregeld was. Direct bij het uitvaardigen van de isolatie van joodse leerlingen wilde de  van die kosten af. Volgens hem kon de joodse gemeenschap hun eigen onderwijs prima zelf betalen, met gebruik van hun verplicht bij de gestalde vermogens.  In de praktijk lag dat echter toch niet zo eenvoudig, zodat de geplande overdracht ernstig werd vertraagd.  Het kwam er op neer dat de bestaande wetgeving, verankerd in artikel 200 (vanaf 1983 is dat artikel 23) van de Grondwet, het óók voor de bezetter onmogelijk maakte de joodse leerplichtige jeugd van zorg door de Staat uit te sluiten.

Pas na maanden overleg van het Opvoedingsdepartement met de bezetter en het Departement van Financiën, ging de Reichskommissar overstag. Er kwam subsidie voor het joodse onderwijs en de gemeente trok haar handen van de joodse scholen af. Vanaf eind november 1942 had het Joodse schoolbestuur zeggenschap over de ruim 90 joodse scholen in heel Nederland.

Terwijl de bekostiging voor het openbaar én het bijzonder onderwijs normaal gesproken gebaseerd was op het aantal leerkrachten per school, werd voor het joodse onderwijs overgestapt op een bedrag per leerling en dat pakte nogal ongunstig uit. De subsidie die beschikbaar kwam, op basis van ongeveer 12.500 leerlingen die er in september 1942 waren geteld, bedroeg zo’n 1 miljoen gulden, ongeveer de helft van wat het Joods schoolbestuur dacht nodig te hebben. Er moest dus bezuinigd worden. Om kosten te besparen ging men over tot hergroeperen van de scholen in zowel de oude Jodenbuurt als in de Transvaalbuurt en Rivierenbuurt.

Met die bezuinigingen viel het overigens best wel mee. De meeste leerkrachten die onder dat nieuwe joodse schoolbestuur vielen, waren daarvoor in dienst geweest bij de gemeente waar ze vanaf september 1941 twee keer een contract kregen voor zes maanden. Nu die tijdelijke contracten ophielden vanwege de overdracht aan de Joodsche Raad, vielen ze terug op het wachtgeld waar ze sinds hun ontslag in maart 1941 recht op hadden. Het Opvoedingsdepartement regelde dat al deze voorheen ‘openbare’ leerkrachten hun wachtgeld behielden, ook toen ze onder het joodse schoolbestuur weer voor de klas kwamen.

Ondertussen had de bezetter uitgevaardigd dat joden niet meer dan 250 gulden per maand als inkomsten mochten hebben, maar  inclusief de toeslagen voor kostwinnerschap, voor kinderen en aan schoolhoofden, bleven de verdiensten van de meeste leerkrachten daar ruim onder.

Naast het financieel probleem was er nóg een reden voor drastische maatregelen. Sinds de regelmatige naar in juli 1942 op gang waren gekomen, gingen met grote regelmaat leerlingen en leerkrachten uit beeld. Of ze waren naar  in het Oosten of verdwenen in de onderduik.

Meteen al na de zomervakantie van 1942 was het raak. Een ambtenaar op het stadhuis noteert in een kattebelletje onder het kopje Weggevoerde Joodsche leerkrachten enkele namen van leerkrachten die zonder melding verdwenen waren, zoals Sara Liboerkin van Joodsche school 8, Keetje Frankfort van Joodsche school 11, handwerkjuf Lea Polk-Frank en juffrouw Heintje Duizend, van Joodsche school 7.  en bovenmeester Samuel Bannet van Joodsche school 13, Daar kon nog voor vervanging worden gezorgd, Jacob Muller volgde hem als schoolhoofd op.

Later, na de wintervakantie 42/43 was het niet meer te doen, de joodse onderwijsteams raakten ontwricht door het in toenemende mate wegvallen van leerkrachten. Ook de klassen raakten door de transporten en de onderduik steeds meer ontvolkt. Lesgeven was in veel gevallen eigenlijk niet meer te doen, maar de onderwijs-begroting voor het eerste halfjaar van 1943 was wel sluitend.

In de rest van Nederland was het aantal schooltjes langzaamaan teruggelopen van 64 in het eerste schooljaar, naar 47 in januari 1943. Die terugloop hing vaak samen met de gedwongen verhuizing van de plaatselijke joodse bevolking naar Amsterdam. Wat ook voorkwam was het plotselinge vertrek van de enige leerkracht op die doorgaans éénklassige schooltjes. Het wegvallen van zo’n leerkracht leidde tot opheffing van dergelijke kleine scholen, door de plaatselijke overheid.

De landelijke leerlingentelling van januari 1943 toonde aan dat van de 13.063 leerlingen die een jaar eerder waren geteld, er nog maar 7.368 aanwezig waren.