de scholen in het land

Ook in het land, buiten Amsterdam moest er nadat de Reichskommissar zijn verwijderingsopdracht had uitgevaardigd, afzonderlijk onderwijs voor de joodse leerplichtige jeugd worden georganiseerd.

Het was echter niet duidelijk hoeveel kinderen het betrof en in welke plaatsen, vandaar dat de Centrale Commissie voor het Joodsche Onderwijs een achttal enquêteurs op pad stuurde om een en ander na te gaan. Uit de rapportage die de dames Frank en Troostwijk en de heren Aa, Broekman, Duizend, Soetendorp, Fränkel en de Vries eind oktober 1941 leverden, bleek dat er in zo’n 165 plaatsen buiten de drie grote steden ruim twee-en-een-half duizend joodse kinderen in de lagere schoolleeftijd waren, waarvoor onderwijs moest worden georganiseerd. De rapportage was zeer gedetailleerd met voorstellen voor vestigingsplaatsen voor de scholen; combinaties van leerlingen vanuit de verschillende plaatsen en zelfs daar waar de aantallen te klein waren en er een schaarste aan bevoegde onderwijzers werd voorzien, werd zelfs de aanstelling van een reizende onderwijzer aanbevolen. Limburg, Groningen en Drenthe, maar ook de driehoek Culemborg-Tiel-Zaltbommel moesten het maar stellen met reizende meesters.

De opdrachtgever voor de rapportage, de Centrale Commissie voor het Joodsche Onderwijs, nauwelijks eerder gesticht door de Joodse Coördinatie Commissie in den Haag en de Joodsche Raad voor Amsterdam, ging daar echter niet over. De continuering van het onderwijs aan joodse kinderen was de taak van de gemeentebesturen, zoals commissievoorzitter Cohen liet noteren in het eerste verslag van de commissievergadering :

      ‘De oprichting en voorlopige exploitatie van de scholen voor Joodsche kinderen is opgedragen aan de burgerlijke gemeenten. De burgerlijke gemeenten moeten dus aan de wenschen van de Duitsche autoriteiten en het departement gevolg geven. Al geeft de Centrale Commissie ook ideeën, daarnaast kan ze geen enkele verantwoordelijkheid tegenover het Departement aanvaarden. De Commissie vindt het echter zeer prettig te zijn ingeschakeld.’
[NIOD 182-038/0001 e.v]

Het ging bij die burgerlijke gemeenten in het land razendsnel nadat de Reichskommissar de maatregel halverwege augustus 1941 bekend maakte. Secretaris-generaal van Dam van het Departement van Opvoeding vroeg op 16 augustus al de gemeentebesturen hem een opgave van de joodse leerlingen (namen en aantallen) te doen. Die informatie kwam rond 25 augustus van de scholen en vervolgens kregen de gemeentebesturen van het departement opdracht over te gaan tot verwijdering. De burgemeesters gaven deze opdracht in de week daarop door aan de schoolhoofden waarop die op hun beurt nog voor begin september 1941, de joodse ouders aanschreven:

      ‘Ik deel U mede, dat door de betrokken Duitsche autoriteiten is beslist, dat alle Joodsche kinderen en zij, die als zoodanig moeten worden aangemerkt, met ingang van 1 September van de scholen moeten worden verwijderd.
In verband daarmede kan (kunnen) ook Uw kind(eren) niet verder worden toegelaten tot de onder mijn leiding staande inrichting.
Naar men mij heeft medegedeeld zal echter wel worden gezorgd, dat Uw kinderen nog verder onderwijs zullen ontvangen. Het ligt namelijk in de bedoeling om de Joodsche kinderen in staat te stellen het onderwijs, dat zij thans genieten, te vervolgen, zij het dan in afzonderlijke onderwijsinrichtingen. Deze zullen zoo spoedig mogelijk worden opgericht, zoodat in het algemeen de betrokken kinderen niet lange dan vier weken zonder het hun passend onderwijs zullen zijn.
Te zijner tijd zal U hier wel van hooren.’
[Groninger Archieven – 1841 map 0648

Dat was dus Groningen en inderdaad de Joodsche lagere school opende haar deuren in de Prinsenstraat, al halverwege september 1941. Maar niet in alle plaatsen die van het Departement (eerst) het verzoek en (daarna) de aanwijzing kregen joodse scholen te openen, deden dat binnen de door de Reichskommissar gestelde termijn van vóór 1 oktober.
In nogal wat gemeenten talmde het lokale bestuur, zodat het hier en daar zelfs tot begin 1942 duurde voordat alle kinderen weer elke dag naar school konden gaan.
In nogal wat gemeenten nam uiteindelijk de joodse gemeenschap zelf het initiatief voor het stichten van een joods schooltje voor gewoon (lager) onderwijs. Het joodse schoolbestuur in Amsterdam haastte zich deze scholen te voorzien van  ‘Regionale Onderwijs Commissies’ waarin het bestuur van de lokale synagoge duidelijk vertegenwoordigd was en dat deed nogal pijn bij de liberale joodse ouders ter plaatse.
[NIOD 182/102-063 en 075]

Het lokale bestuur dat verantwoordelijk was voor het onderwijsaanbod in een gemeente, was niet meer de (verkozen) gemeenteraad plus een college van (verkozen) wethouders en een door de Kroon benoemde burgemeester.
Sinds maart 1941 waren de gemeenteraden ontslagen en zo ook de wethouders. Het bestuur bestond uitsluitend uit een burgemeester, die zijn wethouders had aangesteld als een soort superambtenaren. In een aantal gemeenten was bovendien de ‘vooroorlogse’ burgemeester door de bezetter vervangen door een ‘loyale’ bestuurder.

het schooltje in Gouda met juf Jeanette Mogendorff

Uiteindelijk waren er in dat eerste gescheiden schooljaar, buiten de drie grote steden zo’n 40 lagere scholen met ongeveer 2.300 leerlingen; in het tweede schooljaar verminderde dat al snel door gedwongen verhuizing naar Amsterdam en door het vertrek naar de kampen, naar ongeveer de helft in scholen en leerlingenaantallen.
Uiteraard waren er ook leerplichtige kinderen die in het voortgezet onderwijs zaten, daar moest natuurlijk ook een oplossing voor worden gevonden. In veel plaatsen waren het echter zo weinig leerlingen dat een afzonderlijke ULO, HBS, Lyceum of Nijverheidsschool die te realiseren was en werd er door de plaatselijke autoriteiten in overleg met het Departement in Den Haag gekozen voor combinatiescholen, veelal van ULO met Lyceum. In September 1941 waren er in totaal zo’n 1340 leerplichtige ULO leerlingen in het hele land, maar toen halverwege januari 1942 eindelijk overal Mulo onderwijs kon worden aangeboden, kwamen er minder dan duizend opdagen.

In Haarlem, Arnhem, den Bosch, Hilversum, den Haag, Utrecht, Rotterdam, Groningen en Leeuwarden waren er krap voldoende leerlingen om de vestiging van een Joods Lyceum te rechtvaardigen, ondanks dit aanbod vielen honderden buiten de boot omdat de school te veraf was om elke dag op en neer te reizen. De Secretaris-generaal probeerde nog bij de bezetter dispensatie te krijgen zodat die kinderen op hun eigen school konden blijven. Ook werd er een poging ondernomen om in Amsterdam een internaat voor deze kinderen te vestigen, maar alles te vergeefs. Ook was er het probleem om goede docenten te vinden, her en der werden niet-bevoegde vakkrachten aangesteld.

Uiteindelijk heeft zeker dat vervolgonderwijs buiten Amsterdam maar kort gefunctioneerd, in veel plaatsen startten de evacuaties naar Amsterdam al in het voorjaar van 1942, toen de meeste scholen pas geopend waren.
In april 1943 was het helemaal afgelopen met het onderwijs aan de joodse kinderen in de Mediene, toen de laatste evacuaties naar Amsterdam en naar Westerbork door de bezetter werden afgerond.

Wat overbleef waren naast Amsterdam, Den Haag, Utrecht en Rotterdam waar nog onderwijs werd verzorgd. In Utrecht (8), Rotterdam (3) was het thuisonderwijs, alleen in Den Haag was nog een schooltje met zo’n 15 leerlingen. Daarnaast bleek dat in het ‘tehuis’ in Barneveld (70) een grote onderwijsbehoefte was, die makkelijk kon worden ingevuld door de aanwezige hoogleraren.
Dat gold ook voor de ruim 700 kinderen in Westerbork, ook daar waren meer dan genoeg leerkrachten.
[bron : het laatste rapport van het onderwijsbureau, opgesteld door Arnold Lissauer, halverwege september 1943 : NIOD 182/108-0260]

Overigens kenden al die joodse gemeenten een vorm van joods onderwijs, voorheen in joodse schooltjes verbonden aan de plaatselijke sjoel. Dat moeten we niet verwarren met het onderwijs dat vanaf september 1941 werd georganiseerd voor de joodse kinderen, dat was immers gewoon [lees : niet persé religieus georiënteerd] onderwijs – in veel plaatsen verleende de sjoel echter wel onderdak in het leslokaal, vanzelfsprekend dat, dat aanleiding voor verwarring geeft.