eerst dit

Een onderbouwklas van de 5e lagere Montessorischool in de Amsterdamse Watergraafsmeer. Het is voorjaar 1946 en helemaal links vooraan met dat blonde koppie, dat ben ik.

Ik ben 7 en ik zit in de tweede klas, mijn schoolcarrière begon in de meidagen van 1945. Ons schoolgebouw was tijdens de bezetting gebruikt door de , beneden hadden paarden gestaan en dat kan ik nog ruiken.

Er komen aldoor nieuwe kinderen in de klas, zoals Robbie die naast me zit, met z’n zusje die gewoon Zusje heet. En Emmy, dat kleine meisje helemaal achteraan in het midden. En Erna. En niet te vergeten Daantje, die meteen mijn beste vriend wordt. Daantje heeft net als ik gewoon een vader en een moeder, maar die andere nieuwkomers hebben dat niet. Robbie en Zus worden na school opgewacht door twee overbezorgde oude tantes. Erna, helemaal achteraan links, heeft helemaal niemand, lijkt het wel. Ik denk dat er wel acht of tien van dit soort kinderen zijn in onze klas. Er hangt een stil geheim om ze heen, niemand praat er over en ik weet alleen dat ook dáár de de schuld van hebben.

Eerste Montesssori

Dit is net zo’n foto. Een onderbouwgroep van de 1ste Montessorischool, vlak voor de oorlog, toen alles nog goed was. Bijna de helft van de leerlingen op de ‘eerste’ in de Amsterdamse Beethovenbuurt was joods. September 1941 moesten ze allemaal naar een joodse school, omdat de bezetter had besloten dat joodse kinderen niet langer samen mochten zijn met de andere leerlingen in hun klas.

Stel nou dat ik een paar jaar eerder was geboren, dan had ik in 1941 zelf in zo’n gemengde klas gezeten. Dan zou meester Stunneberg ons dus op een zomerse dag hebben verteld dat de joodse kinderen spijtig genoeg de school moesten verlaten, omdat ze niet meer welkom waren. Robbie en Zusje. Erna, Daantje en Emmy hadden braaf hun spulletjes gepakt, we hadden ze voor het laatst de hand geschud en ze waren vertrokken. De overgebleven klasgenootjes en ik zouden beduusd zijn achtergebleven, met om ons heen lege tafeltjes en lege stoeltjes. Meester zou vast snel de boel aan de kant hebben geschoven en dan waren we gewoon doorgegaan met het werkje dat we deden. Zouden we vragen hebben gesteld? Zouden we hebben geprotesteerd? Zouden we hebben moeten huilen? Ik weet het niet. Robbie en mijn vriendinnetje Emmy had ik dan nooit meer gezien; ze zouden dan helemaal naar de Transvaalbuurt hebben moeten lopen. Op weg naar de nieuwe school. Op weg naar wat ze allemaal nog meer te wachten stond.

Gelukkig verliep het anders voor onze leeftijdsgroep. Deze kinderen waren er nog en ze waren er weer, weliswaar met hun geheimen, maar ze leefden. Pas jaren ging ik beseffen hoe het kwam dat Robbie en Zusje alleen twee tantes hadden, Erna in een tehuis woonde en Emmy geen vader meer had.

Naast het verhaal van mijn vader Laurens Janszen, is het mijn eigen kleine geschiedenis, die me bewoog om eens grondig uit te zoeken hoe het zat met al die joodse kinderen die in augustus 1941 zonder pardon uit hun klassen werden verstoten, als onderdeel van die vreselijke machine die ook over Nederland rolde.

In Amsterdam alleen trof het zo’n 7.500 kinderen. Waarvan er slechts een paar honderd weer opdoken na de , enkele van hen gewoon bij mij in de klas.